Bomen bepalen meer dan de sfeer

BOMEN BEPALEN MEER DAN DE SFEER: OOK DE WIND EN REGEN?

Weermodellen tot nu toe hebben een kleine rol toegeschreven aan bomen wat betreft hun impact op wind en regen. Maar nieuwe ideeen hierover geven ze een heel belangrijk impact factor. En als deze ideeen blijken te kloppen dan kunnen wij experimenteren met het corrigeren of herstellen van wind- en regenpatronen door het herplanten van grote bossen.
Wat een vooruitzicht! Tot ongeveer 6000 jaar geleden was de sahara een waterrijke veenbos landschap. Kunnen wij die misschien (deels) terug krijgen?
De nieuwe ideeen gaan zo; grote bossen brengen veel waterdamp in de lucht door transpiratie en verdamping, tot wel billioenen liter water voor grote bossen.  Met afkoeling en condensatie van dit waterdamp tot druppels daalt de luchtdruk en wordt lucht aangezogen om deze lage druk gebieden op te vullen. En deze aangezogen lucht brengt ook regen mee. Soms flinke regens,  tot monsoenen en tropische stormen toe. Deze extra regen over het grote bos maakt dat de bomen weer meer kunnen transpireren met tot gevolg dat meer water verdampt. En zo ontstaat en water en wind kringloop dat een virtueuze cirkel genoemd kan worden, een cirkel dat wordt tot stand gebracht en onderhouden door de bomen.
Onze mooi bomen in De Nieuwe Ooster zijn talrijke (meer dan 4000) en zeer gevarieerd (meer den 660 soorten) en ze zijn van onschatbare waarde voor de mensen die gebruik maken van dit prachtige stadspark.  Maar ze zijn toch niet zo veel dat ze een belangrijk impact op het weer over Amsterdam kan maken. Mar wie zegt dat ze niet een bescheiden impact kan hebben, en dan in een gunstige richting natuurlijk!

Roger Bickerstaffe
Bomengids DNO

Boomsponsors

Het sponsoren van een boom

De stichting biedt de mogelijkheid om voor een bepaald bedrag per jaar, al naar gelang de boom en standplaats een boom te sponseren. Dit kan een bedrijf, club, school, of particulier persoon zijn. Tevens wordt u, mits gewenst, vermeld als sponsor op de website van de stichting. Met uw sponsorgelden helpt u mee de doelstellingen van de stichting te bereiken.
Het sponsorbedrag is inckusief: het boombordje, vermelding op de website, het donateurschap van de stichting.
Het sponsortarief varieert van € 50,- tot € 150,-en is verdeeld in drie categorieën bomen:
Monumentale dikke bomen op in het oog springende locaties -grote, dikke bomen langs en in de paden -de andere bomen.
wilt u de stichting ook ondersteunen middels het sponsoren van een boom? neen contact met ons op: info(at)denieuweoosterbomenpark.nl

Onze boomsponsoren zijn:

Ursula Neubauer
Frans Saris – Amsterdam
Patricia van Gunst – Amsterdam

Uitvaartcentrum Elders – Amsterdam
Evert Schaeffer – Duivendrecht
Ans de Kruijf
Lyane van Norren en Wil Nieuwstraten
Amsterdam
Tree-o-logic – Harskamp

Mevr. L Hogeweg – Amsterdam (2 bomen)
Mevr.S. Ekelschot – Amsterdam
Monumenti persoonlijk in natuursteen – Hoofddorp
Mevr. E. Smit – Amsterdam

Fam.van de Laar-Stam – Almere
Boomverzorgingsbedrijf J. van `t Hoff- Breukelen

Bouw- en aannemingsbedrijf Krot-Boers-Baltus – Amsterdam
CITEC civiel- en cultuurtechnischadviesburo
Geert Boelens – Purmerend
Fa. L.sax – loodgieters  
Zelkova BV boomverzorging – Amsterdam

Mevr. H. Steur – Amsterdam
Van der Tol BV Hoveniers – Amsterdam
Zevenhoven VOF Perkplantenkwekerij – Ter Aar
Perfors Tuin- Park- en Golfmachines, Voorhout – Purmerend
Dicolore design group v.o.f.
Mevr. Riny Wolters – Amsterdam

Dhr J. Muller – Amsterdam
Floor Bleeker – Dubai
Mevr. Hilly Danser – Amsterdam
Xandra Bunwaree – Amsterdam
Gerald Rosenberger – Hilversum
Ruimtechniek Breukelen BV
Mevr. Riny Bouman – Amsterdam

 

 

Wat de beuk voorbij zag gaan

Wat de beuk voorbij zag gaan:
een voordracht van Jos van Hest bij het 115-jarig bestaan van De Nieuwe Ooster 20 mei 2009

Hij is nooit verder geweest dan vak 1. Deze roodbruine beuk, Fagus sylvatica Atropunicea. Hij is voor deze plek bedacht door Leonard Springer, de architect die begraafplaats De Nieuwe Ooster in 1890 ontwierp. Springer wilde een begraafplaats maken als, zoals hij zelf zegt, een lieflijk, schilderachtig en poëtisch oord waar men gaarne verblijft, geen sombere en droefgeestige plek waarvoor men huivert erheen te gaan, maar een harmonisch park met slingerende paden en bomen die hun rijk bebladerde takken over de graven uitstrekken om ze te beschermen. Hij zal waarschijnlijk in 1892 geplant zijn, twee jaar voor de officiële opening van De Nieuwe Ooster op 1 mei 1894. Zijn wortels omvatten het graf van Gerlof Bartholomeus Salm, gestorven op 4 mei 1897, de architect die het Aquarium van Artis bouwde en het kerkgebouw van de Vrije Gemeente aan de Weteringschans, nu beter bekend als Paradiso.

Hij is eenhuizig, de beuk: er bloeien zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen aan zijn takken. Bezoekers schuilen onder hem voor de regen. Hij is een roodbruine paraplu, een purperen parasol. Zijn takken raken soms de hoeden van de dragers. Kinderen rapen in de herfst zijn beukennootjes op. Miljoenen nootjes heeft hij in al die jaren laten vallen, voedsel voor eekhoorns en vogels, ook eetbaar voor mensen, mits in niet te grote hoeveelheden. (In beukennootjes zit fagine, een zwak giftige stof. Wie veel beukennootjes eet, wordt eerst buitengewoon vrolijk, daarna misselijk en krijgt hoofdpijn.)

Hij is erkend als landelijk monument. Dat staat beschreven op officieel papier: stempel erop, handtekening eronder, opgeborgen in een map, in een archief En hoe groot, sterk en oud hij ook is, hij kent zijn angsten. Hij is ook maar een schepsel dat weet van het bestaan van beukenbladluis en beukenspringkever, van wollige beukenluis en galmijt. Hij weet dat hij aangetast kan worden door de gevaarlijke meniezwam, dat hij bastkanker kan krijgen, roetdauw en necrotische vlekken.

Wat de beuk voorbij zag gaan:

Rouwkoetsen met paarden met zwarte pluimen zwijgende stoeten met zware grafkransen

Heren in jacquet, dames achter zwarte sluiers doodbidders met hoge hoeden

Kisten op schouders van dragers kisten op een baar met wieltjes

Bloemstukken met linten militaire eer en laatste groet

Schoolkinderen met een dode juf in een kist moeders met een baby in een rieten mandje

Harten van rozen, bloesem van verdriet ballonnen, fakkels, flarden van een lied

Nabestaanden, achterblijvers zoveel voetstappen op kiezels

Wat de beuk voorbij zag gaan:

Het licht en het donker, de dag en de nacht de zon en de maan, vallende sterren

De vier seizoenen, de twaalf maanden oorlog en vrede, regenluchten, zomerwinden

Het leed van een eeuw, honderd jaar tranen de troost van de tijd

Zon overgoot hem met duizenden lichtstrepen regen viel op hem neer met duizenden snikken

Wolken aaiden hem voor ze weer wegvluchtten wolken bedreigden hem en gaven geen soelaas

Zijn knoppen zijn als namen ze springen open in het zonlicht

Zijn bladeren zijn als namen ze verwaaien in de wind

Hij staat stevig als een huis hij waakt over doden en levenden

Winden ruisen door zijn kruin stemmen huizen in zijn takken

Beuk rode bron van zuurstof zijn lover zingt over, over

Doodsbeenderenboom

Gymnocladus dioicus, de doodsbeenderenboom

Sommige zeldzame soorten staan in iedere schooltuin en iedere (aankomende) hovenier leert deze soorten. De Gymnocladus is daar een voorbeeld van. Eenmaal in de praktijk herinneren we ons (alleen?) de opvallende Nederlandse naam en die vakmensen die een begraafplaats mogen ontwerpen en/of beheren planten om Gymnocladus_dioicade naam meestal een enkel exemplaar op de begraafplaats. Als de heer Springer, ontwerper van de Nieuwe Ooster, al één van de nu aanwezige Gymnocladussen heeft laten planten, gaat dit verhaal niet op voor de ontwerper van de begraafplaats. De landschapsarchitect Leonard Anthony Springer was tevens dendroloog en had een grote plantenkennis. Een volwassen Gymnocladus is alleen voor de kenner en de betere kijker een opvallende verschijning. En dan nog alleen in de winter. De takken lijken dan op doodsbeenderen, knokig en blauw berijpt. Sommigen zien ook nog in de bladaanhechtingen een doodsbeen. De boom heeft relatief veel lengtegroei en weinig vertakking. Kijkend naar het wintersilhouet is de boom aan de Duitse benaming “Geweibaum” gekomen.
De wetenschappelijke naam is een samenstelling van de Griekse woorden naakt (Gymno) en tak (cladus), wat slaat op de lange periode dat deze boom er zonder bladeren bij staat. Gymnocadus dioicus is inheems in Noord Amerika. De eerste Engelse pioniers ontdekten dat de zaden geroosterd konden worden en dat daar surrogaat koffie van gemaakt kon worden, bij gebrek aan echte koffie. Zo ontstond de Engelse naam Coffeetree. Bij het beoordelen van het ontwerp van een nieuwe wijk voor Stadsdeel Nieuw West maakte ik vorig jaar de ontwerpster een compliment omdat er een straat volledig aangelegd zou worden met Gymnocladussen. De ontwerpster was bij een bezoek aan Amerika onder de indruk geraakt van de vele blauwgrijs berijpte peulen. Ik was zo stom te reageren met het verhaal dat ik in Nederland nog nooit een Gymnocladus heb gezien met vruchten. De Gymnocladus is in het ontwerp Gymnocladus_dioica_bladlater helaas vervangen door de (onder ontwerpers zeer populaire) Gleditsia triacanthus ‘Skyline’. Dioicus betekent twee-huizig. Er zijn dus mannelijke en vrouwelijke bomen. Draagt de Gymnocladus in Nederland geen vrucht vanwege het klimaat of kweken we alleen mannetjes?
De doodsbeenderenboom is een gemakkelijke boom, die graag nat staat, al is een drogere standplaats ook geen probleem. Ziektes komen niet voor, de kroon is niet al te breed en behalve wat begeleidingssnoei tijdens de jeugdfase is onderhoud niet nodig. Het blad is dubbel geveerd en kan zich ontwikkelen tot een indrukwekkende meter lang en breed (in Nederland meestal tot ca 70 cm). In het najaar zeer mooi verkleurend, goudgeel tot oranje. Na het afvallen van het blad blijven de bladspillen nog vaak hangen. De stam is grillig en zeer diep gegroefd. En de stamvoet ontwikkeld zich breed. Toch is de boom naar mijn idee geschikt als laanboom, mits geplant in bredere trottoirs en/of grotere boomspiegels. De boom groeit door tot ca 30 m. Gymnocladus chinensis is de soort die in China inheems is en Gymnocladus burmanicus groeit van nature in Birma, maar deze soorten vindt men in Nederland niet. Gymnocladus dioicus is te bewonderen in vak 50, vak 83 en op het voorplein bij de ingang van het uitvaartmuseum.

©Maarten H. van Atten, dendroloog en European Tree Technician.

Diospyros

Goddelijke boom?

Op het door de atoombom verwoeste gebied in Nagasaki was er slechts één overlevende: een boom. Hitte en vooral straling trotserend……. Toch duurde het tot 2001 eer dit in het westen opviel en er een (homeopathisch) middel van gemaakt werd. Een overlevende van het door straling getroffen gebied trok van de blaadjes van die boom een thee, waarvan hij iedere dag een kopje dronk om de gevolgen van de straling te bestrijden. Bij de Chinezen was dit fenomeen al langer bekend. Zij maakten al eeDiospyros_lotusrder geneesmiddelen uit de diverse onderdelen van de boom of aten de vruchten ervan. Wellicht is de naam van de boom hier ook op gebaseerd: Meestal wordt de boom Godenpeer genoemd, het moet Godenvrucht zijn. De oude Grieken die de boom benaamd hebben, wisten dit al. Dios, Grieks voor God, en pyros, Grieks voor vrucht. De Diospyros kaki is de boom waar we het hier over hebben. In Japan worden de vruchten nog steeds geofferd, bij Oud en Nieuw, bij het feest van de zielen en bij het feest waarbij de zielen van de voorouders terug op aarde komen. De boom is symbool voor geaard zijn en toch in verbinding staan met het goddelijke. En het innemen van het (homeopathische?) middel dat uit deze boom gewonnen wordt, aardt de mensen opnieuw, waardoor klachten verminderen, ook die van straling. De recente, dramatische gebeurtenissen in Japan maken dit weer actueel. En nu de aardse zaken. Diospyros is een geslacht met zeer veel tropische en subtropische soorten (400 tot 500) en enkele min of meer winterharde soorten. Twee soorten zijn aangeplant op De Nieuwe Ooster. Diospyros kaki, de Godenpeer, Godenvrucht of Kaki. Kaki is Japans voor ‘rode vrucht’. Inheems in Oost Azië. De kaki wordt een boom die qua habitus wel op de appelboom lijkt. Het hout is broos en breekt makkelijk af bij harde wind. De plant is tweeslachtig. De mannelijke bloemen zijn onopvallend groen, de vrouwelijke bloemen zijn crème. In het najaar verschijnen de oranjerode vruchten, die eetbaar zijn nadat ze na de pluk nagerijpt zijn. Direct van de plant eten levert buikpijn op. In Azië zijn er ca 2000 cultuurvariëteiten ontwikkeld. Een aantal van de cultuurvariëteiten aldaar is wel direct eetbaar. Diospyros lotus, de Godenpeer, Kakipruim of Lotusboom komt ook van nature voor in Oost Azie, maar dan wat zuidelijker en kan daardoor ook wat minder goed de Nederlandse winters trotseren. Alleen op zeer beschutte plaatsen is aanplanten dus succesvol. De bloem is ook onopvallend, de vruchten zijn kleiner dan de vruchten van de Kaki. Vrijwel alle Diospyros hebben een fraaie herfstkleur. Diospyros is ook leverancier van ebben hout en van coromandel, het gestreepte ebbenhout. Niet alle Diopspyros soorten ontwikkelen dit. Ebbenhout is meestal afkomstig van Diospyros ebenum en coromadel is afkomstig van Diospyros celebica. De in Nederland zeer zeldzame Diopsyros virginiana (Amerikaanse persimmon) ontwikkelt ook ebbenhout en is ook veel winterharder dan D. kaki en D. lotus. Diospyros kai is te bewonderen in vak 17. Diospyros lotus is te bewonderen in vak 77.

Maarten H. van Atten, dendroloog en European Tree Technician

Firminiana

Firminiana symplex

Tijdens een cursus Biomechanica, gegeven in Florence, kwam ik in de stad een mij onbekende boom tegen. Laat ik u het raadsel voorleggen:
Het grote blad ervan doet sterk aan een Esdoorn denken. Dat beeld klopt ook met de jonge groene twijgen, lijkend op twijgen van Acer negundo. De dikkere takken krijgen witte lengtestrepen en doen denken aan een streepjesbast-esdoorn.
Maar dan: de bladstand is verspreid, dus kan het géén Esdoorn zijn, deze heeft immers tegenoverstaand blad. De stam lijkt op die van Firmiana simplexeen Tril-populier. De eindknop is bruin en dik met kleine knopjes ernaast, dus die lijken dan weer op een Fraxinus.
Op een hoek van een pleintje in het – overigens tamelijk boomloze – centrum van Florence staan drie van die bomen dicht bij elkaar geplant. Zij vormen samen een parasolvormige kroon waaronder het heerlijk vertoeven is. De kroon is overdekt met trossen, de bloemen zijn op dat moment nog in knop (juni).
Een indrukwekkende boom, waarvan de bloemen op zich elegant zijn uitgerust met zeer smalle petalen, roomwit, het hart van de bloem is geel. Het zaad ontwikkelt zich daarna met een papierachtig schutblad. De herfstkleur is geelbruin, dan lijkt de boom wel wat op een Liriodendron.
De boom is in Nederland zeer zeldzaam. Het koste mij enig speurwerk om het raadsel op te lossen. De boom die ik in Florence ontdekte, is de Firmiana simplex, de Chinese parasolboom.
De stad Padua in Noord-Italië heeft een zeer oude botanische tuin. De Firmiana is genoemd naar de heer Firmian, eind 18e eeuw hoofd van deze tuin.
Firmiana is ingedeeld bij de familie Sterliculaceae, al is dat volgens de laatste inzichten een onderfamilie van de Malvaceae, de Kaasjeskruidfamilie. De Malvaceae is een familie waarvan slechts weinig houtige leden winterhard zijn. Echt winterhard uit deze familie is alleen de Tilia. De Hibiscus doet het wel goed, maar kan toch ook van de vorst te lijden hebben. Alleen de gebruikelijke cultuurvariëteiten zijn hier echt winterhard. De Firmiana is een geslacht uit Azie met ongeveer 12 soorten, alleen Firminana simplex kan op een beschutte en niet te natte plek in Nederland gedijen.
In heel Europa zeldzaam, in Azië redelijk algemeen en in Amerika een populaire veel gekweekte plant. Te bewonderen in vak 54.

Maarten H. van Atten, dendroloog en European Tree Technician

De laatste rustplaats van een wereldreiziger

De laatste rustplaats van een wereldreiziger. Of hoe een Giant Sequoia op De Nieuwe Ooster terecht kwam.

De natuur in Californië hoort zeker in het rijtje mooiste en overweldigendste in de wereld. Maar de oprukkende verstedelijking en vooral de al decennia durende kap door de houtindustrie hadden er bijna voor gezorgd dat een van haar bekenste ambassadeurs, de Giant Sequoia ofwel de grootste en oudst wordende boom ter wereld, voorgoed was verdwenen uit het Californische landschap. Gelukkig hebben activisten dit voorlopig weten te voorkomen. Door middel van fel verzet met spectaculaire acties (zo bracht een activiste eens 738 dagen door in een 55 meter hoge, 600 jaar oude boom), maar ook educatie en bewustwordingscampagnes. Onderdeel van een van die campagnes was het uitdelen van gratis stekjes. En zo kreeg ik, een rondreizende Amsterdammer, tijdens de paasvakantie in 2002 een piepklein exemplaar van deze Sequoiadendron giganteum kado. Met wat hulp van een tuinierende vriendin bij wie ik daar logeerde heeft het stekje de rest van de reis weten te overleven, terug naar de Oudezijds Achterburgwal. Hij hing er wel wat slapjes bij in zijn op straat gevonden pot, twee hoog achter op het platje. Gelukkig zat er bij het stekje een telefoonnummer voor een gratis bomenhulplijn in de VS. Na het stekje op hun advies te hebben gestut met een breinaald kwam het boompje, hoewel voor altijd een tikkeltje scheef, er weer goed bovenop. Het ging zelfs zo goed met het boompje dat me ik me al na een paar jaar zorgen begon te maken over het tempo waarin hij de lucht in schoot. Bij een volgend bezoek aan San Francisco kwam ik in Muir-woods, het nationale park met de laatste populatie Coastal Redwoods (Sequioa sempervirens) in de buurt van San Fransisco. Daar legde ik de kwestie voor aan de Sequoia expert van de Universiteit van Santa Cruz. Volgens deze expert zou de boom langzamer groeien als ik hem in de schaduw zou zetten. De afgelopen twee jaar stond hij daarom bij een muur, misschien is dat waarom hij er nu op z’n 3D plek op De Nieuwe Ooster nog een beetje schever uitziet. Maar dit kon blijkbaar niet voorkomen dat hij toch in een straf tempo door bleef groeien. Het feit dat ik regelmatig de bruine takjes eruit knipte, een paar keer per jaar speciaal coniferen-voer toevoegde en gezorgd heb dat hij altijd vochtige grond had kan daar, moet gezegd worden, natuurlijk ook aan bij hebben gedragen. Toen kwam het moment dat ik, en dus ook de Sequoia, moest verhuizen. En dan blijkt dat kleine stekje van een paar jaar geleden inmiddels een aardig boompje te zijn geworden dat nog maar nauwelijks via het keukenraam van het platje naar binnen te krijgen is. Het hele raam moest eruit, ik begon me meer en meer te voelen als zo’n toerist die een schattig baby-aapje mee smokkelt uit Marokko en een paar jaar later met een volwassen berberaap in haar flatje zit. Hij kon nog wel even op mijn balkon vier hoog in de Dapperbuurt blijven maar het was duidelijk dat ik snel een goed tehuis voor de boom zou moeten vinden. Binnenkort zou ik hem niet zonder meer kunnen vervoeren of verplaatsen, meer dan de balkondeur eruit gaat toch moeilijk worden in een huurhuis. Inmiddels had ik van TV geleerd dat Giant Sequoias naast de grootste levende wezens op aarde ook de snelst groeiende bomen zijn. O jee. Hoe meer ik over ze leerde hoe korter mijn lijstje met opties werd. In de tuin zetten bij bevriende begane grond bewoners bleek niet echt een optie. Giant Sequoias kunnen immers verschrikkelijk oud worden en wat als die mensen zouden verhuizen (de gemiddelde woonduur in Amsterdam is zeven jaar) en de nieuwe bewoners hem om zouden hakken? Bovendien wou ik eigenlijk wel een omgangsregeling. En zo’n reus is natuurlijk ook niet echt een geschikte boom om in je binnentuin te hebben. Voor je het weet doen de buren je een proces aan je broek omdat je al hun zon afpakt. Naar vrienden in Frankrijk dan? Maar daar is het klimaat te droog en bovendien kan ik het regelmatig bij de boom op bezoek gaan dan wel vergeten. Ik heb zelfs nog even overwogen om hem aan het hek van de Hortus te binden met een briefje met “zorg alstublieft goed voor deze boom” erbij. Maar de Hortus heeft al een exemplaar, 30 jaar oud nog maar en nu al enorm. En ze zitten al zo krap in hun ruimte. Gelukkig ging ik op een dag naar een rondleiding op De Nieuwe Ooster en viel alles op zijn plek. Als mijn boom asiel zou kunnen krijgen op de begraafplaats zou dat natuurlijk ideaal zijn. De boom zou daar veilig zijn, ik zou altijd op bezoek kunnen komen zonder te storen en wat is een mooier symbool voor de eeuwigheid dan een altijd groene boom die duizenden jaren oud kan worden? Ik ben dan ook zeer dankbaar dat De Nieuwe Ooster hem wou opnemen en een heel mooi plekje voor hem had. Wat me tot slot bij mijn laatste verzoek brengt: als er een bordje op kan dan graag de vermelding “Simon Pearse”. Dan heb ik toch nog een mooie en bereikbare herdenkingsplek voor mijn vriend Simon die ver weg in York (noord Engeland) begraven ligt. Hij is drie jaar geleden omgekomen en ik mis hem nog elke dag.

Dafna (met dank aan Jop)

Katsuraboom

De Katsuraboom

 

Heer Bommel uit de vercercidiphyllum-japonicumhalen van Marten Toonder liet zelf zijn voorvaderlijke kasteel bouwen…… In Loosdrecht staat een kasteel met net zo’n geschiedenis. Jonkheer Henri van Sypesteyn liet begin 1900 een kasteeltje bouwen, op een fundament waarvan hij veronderstelde dat zijn familie er eens gewoond zou hebben. Omdat de Jonkheer net als Olivier B. Bommel gemakkelijk met geld omging, was het familiekapitaal aan het eind van zijn leven geheel uitgegeven. Gelukkig zijn het kasteel en de tuin bewaard gebleven. Vooral de tuin is een bezoek meer dan waard. Een bijzondere boom in de tuin is de Cercidiphyllum japonicum, één van de grootste en oudste in Nederland. De Cercidiphyllum japonicum is in Nederland ingevoerd in 1865. De boom in de tuin van het Loosdrechtse kasteel kan dus niet van de eerste partij zijn, al kan het op dit moment wel de oudste van deze soort in Nederland zijn. De boom in de tuin is een fraai exemplaar, helaas wat te veel ingeklemd tussen andere bomen. De sierwaarde van de Cercidiphyllum is de vorm, het bronskleurige uitlopen van het blad en de fraaie gele herfstkleur (soms geel-oranje tot rood). Het afgevallen blad verspreidt een kruidige geur. Eigenlijk is het een zeer grote struik die door de kweker als boom opgekweekt wordt. Een goede kweker laat de boom boven de 2 a 3 meter struikvormig uitgroeien. Er zijn ook kwekers die boven de 3 meter een doorgaande harttak opkweken. Op deze wijze gekweekt wordt er een onnatuurlijk gevormde kroon gekweekt, veel minder fraai dan een natuurlijk gevormde kroon. Zoals met sommige boomsoorten het geval is kan men deze Cercidiphyllum dus beter niet ongezien bij de kweker kopen. De Nederlandse naam is Katsuraboom en wordt soms hartjesboom genoemd vanwege het hartvormige blad. Soms wordt de boom ook – geheel ten onrechte – Judasboom genoemd. De Judasboom is de Cercis siliquastrum en deze is eerder in deze rubriek als boom van de maand beschreven. De bomen lijken wel iets op elkaar. De bladstand ven de Cercidiphyllum is evenwel tegenoverstaand en die van de Cercis verspreid. Op internet worden de soorten ook verwisseld. Google de Katsuraboom en je komt op pagina’s met foto’s van de Cercis bij beschrijvingen van de Cercidiphyllum. Ander opvallend verschil is dat bij de Cercidiphyllum bloem en zaad nogal onopvallend zijn en dat de Cercidiphyllum tweeslachtig is. De mannelijke bloem bestaat sCercidiphyllum 'RothFuchs'lechts uit wat slordig hangende meeldraden. De vrouwelijke bloem is wel sierlijk, hoewel klein en onder het blad verscholen. Ook de banaanvormige doosvruchten zijn sierlijk en ook weer klein en onder het blad verscholen. Inheems is de Cercidiphyllum in China en Japan. Daar is het één van de grootste loofbomen die tot wel 40 m hoog kan worden. In Nederlandse omstandigheden groeit de boom door tot ca 18 meter. Vrijwel de enige eis aan de standplaats is een luchtige bodem met voldoende uitwisseling van lucht. Dan is het een gemakkelijke boom die ook vrijwel geen ziektes kent. Gelukkig wordt de Cercidiphyllum japonicum de laatste jaren in gemeenten regelmatig als laanboom aangeplant. De iets kleinere Cercidiphyllum japonicum ‘Rothfuchs’ loopt rood uit en houdt die kleur langer vast, voordat het blad verderop in het voorjaar en de zomer naar groen verkleurt. De familie Cercidiphyllaceae is een monotypisch geslacht, dat wil zeggen bestaande uit slecht één soort. Volgens de laatste inzichten is de Cercidiphyllum magnificum een natuurlijke variëteit en de goede naam is Cercidiphyllum japonicum var. magnificum. De ‘magnificum’ is weer iets kleiner en het grotere blad is iets blauwgroen; de vruchten hebben ook die aparte blauwgroene kleur. De Cercidiphylla’ zijn te bewonderen in vak 41 en 43.

Maarten H. van Atten, dendroloog en European Tree Technician

 

Mispel

Zo rot als een Mispel….

Onbekend maakt onbemind. De Mispelaar is helemaal uit en het werkwoord wordt ook verkeerd uitgelegd. De Mispel is de vrucht van de Mispelaar, wetenschappelijk Mespilus germanica. En ‘germanica’ klopt ook alweer niet.
Steeds vaker is de geslachtaanduiding (de tweede naam) het land van herkomst, dus dat waar de plant inheems is. Germanica is, zoals trouwe Asterix en Obelisk lezers weten, Duitsland. Mespilus germanica is echter inheems in West Azië. In het oude Perzische rijk werden al duizenden jaren geleden Mispelaars gekweekt als fruitboom. De vrucht bevat veel vitamine C, en werd daarom in Europa ingevoerd door de Romeinen, vooral in Frankrijk en Duitsland. De Mispelaar is in Duitsland al zeer lang verwilderd, daarom is de Mispelaar benaamd als Mespilus germanica.
De vrucht is pas eetbaar nadat deze bevroren is geweest en dan liefst nog na een bewaartijd. Na de (nacht)vorst ontstaat er een gistingsproces, de kleur van het vruchtvlees wordt bruin en tenslotte zacht. Dit zachte vruchtvlees kun je opslurpen, liefst buiten want al slurpend kom je de harde zaden tegen. Deze spuug je natuurlijk uit. En misschien is dit dan weer de reden dat de Mispelaar zo makkelijk verwilderde. Je kunt de vrucht natuurlijk ook uitlepelen. Soms worden mispels wel als vrucht aangeboden, maar meestal wordt onder die naam de Japanse Mispel verkocht (Eriobotrya japonica). Dit is een andere vrucht; het enige gemeenschappelijke is dat ze beide lid zijn van de rozenfamilie.Mespilus
De Mispel is een schijnvrucht, in het vruchtvlees zitten 5 zwarte steenvruchten.
Mespilus germanica is een slordige struik, soms als boom opgekweekt. Er zit geen vorm aan, de dikke twijgen groeien kris kras alle kanten op. Het groene blad is behaard en voelt zacht aan. In mei verschijnen de grote witte geurende bloemen. Het is overigens niet een heel rijke bloeier. Als lid van de rozenfamilie (Rosaceae) natuurlijk vijftallig.
Solitair aangeplant is de Mispelaar een opvallende verschijning. Aangeplant in bosplantsoen en heesterborders is de Mispelaar vreemd genoeg zeer onopvallend. Blijkbaar is het vooral de groeiwijze die de sierlijkheid van deze heester/boom bepaalt.
In het najaar verkleurt het blad bruin. Het krijgt de kleur van de vrucht die op hetzelfde moment van groen naar groenbruin verkleurt, soms vertoont de Mispelaar fraaie geel tot geelbruine herfstkleuren. De vrucht blijft aan de plant als het blad al gevallen is.
De Mispelaar groeit op vrijwel iedere grond zolang er voldoende vocht aanwezig is, op zeer natte gronden groeit deze ook goed.
In de jaren ’90 werd nog een tweede soort van dit geslacht ontdekt, de Mespilus canescens, inheems in Noord-Amerika.
Tenslotte, zo rot als een Mispel is een compliment! Getuige het rijpingsproces van de Mispel tot eetbaarheid bedoelen we dan iemand die gerijpt is en daardoor kwalitatief verbeterd!
Mespilus germanica is te bewonderen bij het bosprieel.

Maarten H. van Atten, dendroloog en European Tree Technician

Populier

Populier: Verguisd of geëerd?

De Kring Praktiserende Boomverzorgers bestaat 30 jaar. Vanwege dit jubileum organiseerde de KPB op zaterdag 24 maart 2012 een themadag over takbreuk bij Populieren. De Populier wordt vaak gezien als een onbetrouwbare boom, waar spontaan zware takken uitbreken. En dat zonder te voorspellen en/of te voorkomen is dat dit gebeurt. Dus voortaan maar iedere Populier mijden, de auto er niet meer onder parkeren en niet meer aanplanten? Aan de andere kant is de Populier wel heel kenmerkend voor het Nederlandse landschap. Snelle groeiers met zo’n grote bladmassa dat het landschap ook gevormd en bepaald word door Populieren. Ook in de bebouwde omgeving zijn het sfeerbepalers. Ze werden vaak aangeplant tussen langzaam groeiende bomen in de rol van “wijkers”. Deze wijkers zouden geveld worden op het moment dat de “blijvers”, de langzaam groeiende bomen, een beetje formaat hadden gekregen. In de praktijk gebeurde dit niet of te laat, de blijvers waren door een te donkere standplaats al misvormd of de buurt protesteerde tegen het vellen van de

Populier

Populieren. Dit mislukte systeem heeft gezorgd dat ook in de bebouwde omgeving veel grote Populieren groeien. En die Populieren laten dikke takken spontaan vallen en de bomen zouden dus op grond van de veiligheid geveld moeten worden. Bewoners protesteren dan, omdat zij die de bomen nog te mooi vinden om te moeten missen. Wat dan te doen? Voor die Populieren die deze val van takken vertonen, is nu een snoeimethode ontwikkeld: het inkorten van de onderste takken, en deze als knot gaan beheren. De boom gaat zo nog een aantal jaren mee. Sommigen(in de regel de bewoners) zijn hier blij mee, anderen(in de regel vakmensen) vinden het “geen gezicht”. Dus blijft de moeilijke keus: kappen en een nieuwe boom planten of stervensbegeleiding. Gelukkig gaat het alleen over de Canadese Populier, en er zijn klonen die dit meer doen dan anderen klonen. Dus de betere klonen gebruiken en deze niet te dicht op elkaar planten, lost al veel op, in ieder geval voor nieuwe aanplant. Ook de klonen van de Zwarte Populier (Populus nigra) hebben er veel minder last van. Het verschil tussen de zwarte Populier en de Canadese Populier is nauwelijks zichtbaar, behalve natuurlijk bij de smalle bekende Populus nigra ‘Italica”. In het voorjaar is te zien hoe mooi Populieren kunnen uitlopen. Canadese en Zwarte Populieren lopen vaak rood uit, per kloon vaak net iets later of eerder. De grauwe Abeel (Populus canescens) loopt mooi grijs uit. Om al deze pracht niet te hoeven missen, vind ik dan ook dat we toch moeten blijven aan planten, Als landschapsvormer zijn ze voor Nederland kenmerkend en dus onmisbaar. De Canadese Populier is in het Arboretum te bewonderen in de buitenrand en in vak 83. Verder groeit in het tweede deel van de hoofdlaan de bekende zuilvormige Italiaanse Populier, Populus nigra ‘Italica’. Deze krijgt op later leeftijd vaak zeer mooie wortelaanzetten. De wortels verdwijnen als een plank de grond in. De inheemse en slordig groeiende witte Populier, Populus alba is geplant in de bermen. Een duidelijk ander bladvorm met een witte onderzijde maakt deze Populier makkelijk herkenbaar. Tot vlak na de oorlog werd de Populus nigra ‘Vereecken’ veel aangeplant. Deze kloon kan op een goede standplaats op z’n sloffen de leeftijd van 200 jaar bereiken. Deze twee enorm grote bomen vindt u aan de buitenkant van vak 62. De Populier kent enkele soorten met groot blad, tot zo’n 20 cm lang (soms tot 30 cm). De zeldzame Populus lasiocarpa wordt soms in parken aangeplant. De Populus szechuanica is nog veel zeldzamer, te bewonderen in vak 41. Beide zijn goed winterhard en worden kleine, sierlijke boompjes. En dan hebben we nog de Tril- ofwel Ratelpopulier. Deze is zo genoemd vanwege het geluid van het blad. U vindt de Populus tremula, aangeplant in de berm achter de graven van de geallieerden. Ga er bij een lichte bries eens luisteren….. je ware bladmuziek dat met flinke wind uitgroeit tot orkestrale omvang. Het is daarmee zelfs een ‘medicinaal’ geluid. Van dichtbij heb ik meegemaakt, dat het geluid van deze populier het opdringerige lawaai dat mensen in hun hoofd ondervinden, wanneer zij aan tinnitus lijden, aanzienlijk verlicht.

Maarten H. van Atten, dendroloog en European Tree Technician