Marie-Louise Meuris

Peertjes….

Meester Walraven en meester Kramers waren bevlogen leraren. Kwam je de klas van de strenge en statige meester Kramers binnen dan imponeerden de vele opgezette dieren en de grote schoolplaten van de natuur. De veel jongere en vlotte meester Walraven was degene die ons mee naar buiten nam. Van hem leerden we herfststukjes maken en een herbarium. En we leerden het ene wilde plantje onderscheiden van het andere. Stengelloze sleutelbloem, aronskelk, salomonszegel, bosanemoon, koningskaars. Als ik aan mijn vroege jeugd terugdenk, komen de plantennamen boven. Maar een bomennaam zit er niet tussen.

In later jaren schaafde mijn vader mijn plantenkennis verder bij. Op het hoogtepunt van zijn carrière was hij tuinarchitect. Met veel gedrevenheid en creativiteit ontwierp hij grote tuinen voor notabelen. De ene tekening na de andere kwam uit zijn kleurpotloden en ze werden allemaal voorzien van plantenlijsten in het Latijn. Tijdens gezamenlijke wandelingetjes door ons dorp wees hij met zijn wandelstok om zich heen en spuide zijn kennis. Spirea van Houtii, Eleagnus Ebbingei, ik kan deze heesters zonder aarzeling benoemen. Maar ook mijn vader repte met geen woord over de bomen.

Kan dat wel? Geen bomenkennis, als je directeur bent van een gedenkpark met een almaar uitdijend arboretum? Is het echt zo erg gesteld met mij? Eens kijken. Er is een aantal bomen dat ik vrij snel herken. De valse christusdoorn, Gleditsia triacanthos ‘Sunburst’, was de eerste boom die Jan en ik kochten voor onze eerste eigen tuin. Drie grote wilgen, Salix alba, kwamen aan de waterkant. In de voortuin plantten we een Pyrus calleriana ‘Canthecleer’, mij aangeraden door een bevriende collega. De mooiste boom die er is, zei hij, en ik ging meteen door de knieën. Maar wat een rotboom, met al die kleine peertjes. Gelukkig verhuisden we vrij snel.

Nu siert een grote Prunus cerasifera ‘Nigra’ onze voortuin. Vlakbij plantten we een Pyrus salicifolia ‘Pendula’, als aandenken aan een bezoek aan de tuinen van Sissinghurst. Hangende twijgen, zilverige bladeren, bloeiend wit. Een boom die zijn belofte helemaal waarmaakt. En dat terwijl ie precies zulke peertjes heeft als die andere Pyrus. Verder een Cornus kousa ‘Chinensis’. In de tuinen van Mien Ruys torende hij hoog boven een aantal struiken uit, met grote volle takken met witte bloembladeren. Zo niet in onze tuin, waar hij elke zomer kalig staat te kwarren.

In de achtertuin staan een oude appel- en perenboom. Van Jan mocht ik ze niet omhakken, en hij had gelijk. Ze worden steeds mooier in hun ouderdom, zeker met een clematis en klimhortenisa langs stam en takken. Opnieuw plantten we wilgen, Salix alba ‘Liempde’. En twee Prunussen Subhirtella Autumnalis. Trouwe, lievige bloeiers van november tot ver in maart.

Niet meester Kramers, niet meester Walraven, niet mijn vader, maar mijn tuinen hebben gezorgd voor een beetje bomenkennis. En nu staat ons huis te koop. Ergens in Friesland ligt een nieuwe tuin op ons te wachten. Tijd om tuinboeken te lezen, modeltuinen te bezoeken, inspiratie op te doen in ons eigen arboretum. Want nieuwe bomen zijn nodig, voor de windsingel om ons huis. Zonder bomen geen leven, zonder bomen waaien we straks weg. Ik sta open voor elke suggestie. Behalve die ene boom met die peertjes, die komt er niet meer in.

Marie-Louise Meuris.

De bomen zijn blij

Bij mijn komst in 1997 was bomenman Johan Mullenders geblesseerd. Met zijn arm in een mitella zat hij in de portiersloge. Tussen het openen en sluiten van de poort schreef hij een soort detectiveroman. Iedereen die bij ons werkte had  een rol in het boek. Ik was directrice Sylvia Terreskova, dat herinner ik me nog goed. Leuk en onverwacht, dat boek. En een voorbode van wat we verder nog van Johan konden verwachten. Dat was veel, merkte ik in de jaren daarna tijdens de uitvoering van allerlei projecten en evenementen op ons terrein. Maar voor Johan gingen dingen nooit snel genoeg. Steeds kwam hij met nieuwe plannen, nieuwe ideeën. Het werd me langzaam duidelijk: dit is geen man om stil te zitten, zijn creativiteit moet blijven stromen.
Toch wist hij me dit voorjaar opnieuw te verbazen. ‘Lees dit eens’, zei hij, terwijl hij een notitie op mijn bureau legde. Diezelfde avond nog begon ik aan de inleiding. ‘Het arboretum van De Nieuwe Ooster krijgt steeds meer bekendheid. Het onlangs verschenen Amsterdamse bomenboek is daar een mooi voorbeeld van. Ook op Internet wordt bij Wikepedia DNO als voorbeeld genoemd dat een begraafplaats ook als Arboretum kan uitgroeien. De collectie groeit en daarbij het aanzien ook. Allemaal zaken waar ik blij en trots op ben. Via dit stuk wil ik het MT van De Nieuwe Ooster nieuwe ideeën voorleggen om het arboretum meer professionaliteit te geven en daarmee het aanzien en bekendheid (waarde van) te vergroten’. 
Nieuwe ideeën genoeg! Meer tijd voor het arboretum. Een jaarlijks budget vanuit De Nieuwe Ooster. Een eigen website waarvan de naam meteen werd gedeponeerd: www.arboretum-denieuweooster.nl. Donateurs, in de vorm van vrienden van het Arboretum. Maandelijkse rondleidingen. En sponsoring, dat leek Johan ook wel wat. Tot slot gaf hij deemoedig toe, dat er wél haken en ogen waren. Want hij snapte ook wel dat er op deze manier meer tijd naar het arboretum zou gaan, dan binnen de formatie van De Nieuwe Ooster de bedoeling was. Dat een eigen website op gespannen voet zou kunnen staan met de al bestaande website. En het ergste probleem zou kunnen zijn dat hij af en toe getemperd zou moeten worden in zijn enthousiasme. Maar, geen nood, hij wist een oplossing. Hij zou één woensdag in de maand in eigen tijd op De Nieuwe Ooster zijn om die dag puur aan het arboretum te wijden.
Zoveel bezieling, ik werd er stil van. Ondertussen vochten tegenstrijdige gevoelens in mijn hoofd om aandacht. Welke werkgever heeft medewerkers die zoveel hart voor de zaak hebben dat ze er hun eigen tijd in willen steken? Maar kunnen we dat aanbod wel aannemen? Als we dat werk belangrijk vinden, dan moeten we het betalen, want anders wreekt zich dat uiteindelijk in de arbeidsverhouding. Maar willen we die financiële keuze nu wel maken? We doen al heel veel voor het park en de bomen. Ik kwam er niet uit.
We bespraken de kwestie in het Managementteam in bijzijn van een ongeduldige Johan. Ik bleek niet de enige met twijfels. Maar tijdens de openhartige discussie vormden zich als vanzelf de contouren van de enige juiste oplossing: de oprichting van een stichting. Waarop Johan na de vergadering onmiddellijk een sprintje trok. Resultaat: de akte is getekend, de website in de lucht, de eerste rondleidingen zijn al achter de rug en Johan is niet meer alleen. Tal van vrijwilligers, donateurs en sponsoren staan inmiddels achter hem. Het is een genoegen al die enthousiaste en betrokken mensen gade te slaan. Namens alle medewerkers van De Nieuwe Ooster wensen we de Stichting Arboretum De Nieuwe Ooster alle succes voor de toekomst. En niet te vergeten namens de bomen! Die zijn ook blij!

Marie-Louise Meuris

Twee Brabantse mennekes

Meestal valt het onderwerp vanzelf in mijn hoofd. Alsof iemand een seintje geeft dat het tijd is voor een verhaal. En dan gebeurt er geheid iets dat de moeite van het vertellen waard is. Maar dit keer nodigt de naderende deadline niet uit tot schrijven. Niet over het mediagedoe rond een niet goed ingeschat zandtransport en niet over de konijnenplaag. Niet over de langverwachte start van ons bouwproject. Niet eens over de bronzen engel van Carasso, die bij zijn verhuizing hoog boven onze hoofden zweefde, roerloos in een lichtblauwe ochtendhemel. De woorden willen maar niet komen. Het is alsof iets in mijn binnenste wacht. Inmiddels vertrouwd met dit creatieve proces, wacht ik mee.
Tijdens het jaarlijkse uitje van ons arboretum volgt de beloning. In de vroege middag arriveren we in Den Dungen, onder Den Bosch, bij Landgoed D’n Hooidonk. Een vijf hectare groot park met 1250 verschillende bomen en struiken. Wat begon als hobby van een echtpaar, is nu een ‘groen Europa in het klein, gewoon in Brabant’. Je kan er ‘wandelen tussen het groen, je laten verrassen en verwonderen’. Maar de folder rept met geen woord over de twee mannen die ons staan op te wachten. Met pet en onvervalst Brabants accent vertelt Ad hoe zijn kompaan met het bedrijf begon. Een buurman verhuisde en er kwam een stuk grond bij. Een andere buurman ging weg en opnieuw werd uitgebreid. Nog elf buurmannen ondergingen hetzelfde lot.twee mennekes
Dan neemt eigenaar Frans het over. Het beplantingsplan van het park is simpel, begint hij trots te vertellen. ‘Hier unne boom, doar unne boom en doar un struik’. En vervolgt: ‘Vroeger was ik verpleegkundige. Maar ik werd gek van ’t vergaderen. Al dat zeiken en zeveren. Ik dacht: ge zoekt het zelf moar uit, ik gaon un hoveniersbedrijf beginnen’. Inmiddels is hij met pensioen.
Hij wist dat we zouden komen en heeft vanochtend persoonlijk de randen bij de sloot gemaaid. ‘En de rest, doar en doar en doar. Niet veul waark, zo’n 3,5 uur per keer. Sommige mensen doen er dagen over, ammel kwats’. Ik vraag hem of hij altijd al gedroomd heeft van een bomenmuseum. Hij kijkt me lachend diep in de ogen. ‘Lieve schat, gedroomd heb ik alleen van unne mooie vrouw en die heb ik’.
Terwijl we door het park wandelen, breekt een voorzichtig zonnetje door. Een criticus komt ons melden dat hier en daar fouten op de naambordjes staan. Frans raakt er niet van onder de indruk. Een goeie vriend van hem heeft die bordjes gemaakt. Hij kreeg kanker maar wilde de klus per se afmaken. Zijn as is verstrooid midden tussen zijn bordjes. Wie maakt zich dan druk om een paar foutjes?
Klagen over te veel onderhoud? Dan heb je de verkeerde tuin! Geanimeerd ventileren beide mannen de ene na de andere wijsheid. Iedereen hangt aan hun lippen. Onder luide protesten laten ze ons na een uur weer gaan. Maar ik neem tevreden afscheid, want mijn verhaal is binnen.
In Baarn volgt een onverwachte toegift. Daar, in het Cantonspark, treffen we een rijksmonumentaal tempeltje, afkomstig van landgoed Roosenburgh, ooit gevestigd op onze begraafplaats in Amsterdam. Een fraai ingemetselde tekststeen verhaalt over de verplaatsing van ‘de Colonnade’ in 1915, het jaar van de eerste uitbreiding van De Nieuwe Ooster. Eindelijk heb ik antwoord op het wanneer en waarom van deze verhuizing.
Terug in de bus naar Amsterdam blijf ik toch vooral peinzen over die twee eigenwijze Babantse mennekes. Wil je afval en veel werk? Leg dan beukenhagen aan. Frans begint er niet aan. Hij heeft buxushagen van een meter hoog, die knipt ie eens in de drie jaar. Aangevreten magnolia’s? Nee hoor, die van hem bloeien ook in de winter. Last van konijnen? Bij hem komt zonder probleem een jager.
Doen we het eigenlijk wel goed op De Nieuwe Ooster?

Marie-Louise Meuris