Japanse Notenboom – Ginkgo biloba

Na de recente plaatsing van de column van Marie-Louise Meuris, waarin zij treffend de ontstaansgeschiedenis van Stichting Arboretum De Nieuwe Ooster illustreert , wordt het de hoogste tijd de website te completeren met de invulling van de rubriek: “De boom van de maand”.

De primeur voor deze boombeschrijving is gereserveerd voor de Japanse Notenboom. Een keuze die u niet zal verbazen aangezien het kenmerkende Ginkgo-blad verwerkt is in het logo van De Nieuwe Ooster. De ginkgo, een boom met een indrukwekkend verleden dat teruggaat tot in de prehistorie. De boom is de enige afstammeling van een oeroud geslacht dat in eerste instantie alleen bekend was uit fossiele vondsten. Na de herontdekking( ca 1085 na Chr.) in China is de plant weer vele eeuwen later door niemand minder dan Charles Darwin beschreven als een “levend fossiel”.

Een eretitel die overigens wel gedeeld moet worden met de Metasequoia glybtostroboides (herontdekt in 1948) en de recentelijk in Australië gevonden Wollemia nobelis (1994) .

De Ginkgo overleefde zijn soort- en tijdgenoten, ijstijden en hittegolven, en dat gedurende de enorme tijdsspanne van 200 miljoen jaar! Een mooi staaltje van aanpassingsvermogen en flexibiliteit en een hele geruststelling in de huidige klimatologisch onzekere tijd.
Wat is er bekend over de levensloop van deze markante verschijning?
De bloeitijd (in figuurlijke zin) van de soort moet ergens midden in het Jura tijdperk hebben gelegen. In deze periode is het een van de dominante soorten die grote arealen op het Noordelijk en Zuidelijk halfrond heeft bedekt. In Noord-Amerika verdween hij zo’n 7 miljoen jaar geleden, in Europa stierf hij 2.5 miljoen jaar geleden uit. In China daarentegen wist de boom te overleven, mogelijk alleen in de provincie Zheziang.
De fossiele overblijfselen uit het tertiair (vanaf 70 miljoen jaar geleden!) zijn volkomen identiek aan de uiterlijke kenmerken van de bomen die momenteel bij ons in cultuur zijn. In deze morfologische continuïteit schuilt een wonderlijke tegenstrijdigheid, die ook Charles Darwin hoofdbrekens moet hebben gekost. De wijde verspreiding en de standvastigheid van de soort over miljoenen jaren impliceert een genetische flexibiliteit ( het aanpassingsvermogen van de soort , Darwin’s “survival of the fittest”). Tegelijkertijd heeft dit aanpassingsvermogen uiterlijk (fenotypisch) althans niet tot differentiatie of specificatie geleid.
Hoewel het onwaarschijnlijk lijkt dat een soort over miljoenen jaren een consistente identiteit kan behouden en dus geen vormverandering ondergaat, zijn er in het curriculum vitae van de boom aanwijzingen die daar juist wel voor pleiten. De lange levensduur, het trage voortplantingsproces ( het duurt lang voordat de boom geslachtsrijp is), en de wijde verspreiding binnen aangrenzende gebieden zijn daar voorbeelden van.

De “recente” geschiedenis
De Ginkgo wordt voor het eerst goed gedocumenteerd teruggevonden in oude Chinese geschriften rond het jaar 1000 na Chr. Beschreven wordt hoe een Ya Chio, chinees voor eendevoetboom, uit het wild wordt geselecteerd en als een geschenk aan de keizer wordt aangeboden. Een half millennium later wordt de boom aangeplant bij tempels in Japan en China, en verkrijgt hij zijn religieuze betekenis als tempelboom. Gaandeweg komen de praktische gebruiksmogelijkheden aan het licht. De zaden zijn, ontdaan van de zachte zaadhuid goed eetbaar, en worden in de Oriënt als een delicatesse beschouwd. De bladeren worden verwerkt in geneesmiddelen die hun toepassing vinden in de traditionele Chinese geneeskunst.
Hoe de boom in Europa verzeild geraakt is is onduidelijk. Aangenomen wordt dat Engelbert Kaempfer (1651-1715) , een Duitse arts in dienst van de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie, die gedurende langere tijd in Japan was gestationeerd de zaden naar onze contreien heeft laten verschepen. Kaempfer was een enthousiast boomliefhebber die plantmateriaal van onder andere Acer, Prunus en Magnolia in het wild heeft verzameld en westwaarts heeft gestuurd. Zijn grootste ontdekking betrof de Ginkgo biloba.

De oudste Nederlandse Japanse Notenboom staat in de hortus in Utrecht. Deze is geplant na 1730, de exacte datum is niet meer te achterhalen. Van de Ginkgo in de Leidse hortus is dat wel bekend(1785). In de Amsterdamse hortus staan 3 forse exemplaren in het coniferenvak. In Amsterdam is de boom sowieso goed vertegenwoordigd; in de dertiger jaren van de vorige eeuw is de ginkgo in Amsterdam-Zuid en de Watergraafsmeer relatief veel gebruikt voor laanbeplanting. In Europa zijn alle echt oude bomen, geplant in de tweede helft van de 16e eeuw van het mannelijke geslacht. Mogelijk zijn zij vegetatief vermenigvuldigd en dus afkomstig van dezelfde voorouder.

Etymologie
De naam Ginkgo is een fonetische transcriptie van de oude Chinese naam ( pinyin: yinguo) dat in Nederlands “zilver fruit” betekent. De huidige Chinese naam is bai guo-wit fruit- of yinxing , hetgeen wordt vertaald met zilveren abrikoos. De japanners gebruiken dezelfde karakters voor de boom, maar de uitspraak luidt; “icho”(het eendenpootboom naar de vorm van het blad). De toevoeging “biloba”dankt de boom ook aan de vorm van het blad. De insnijding centraal aan de top zorgt voor een tweedeling in lobben; tweelobbig.  De Nederlandse naam is terug te voeren naar de ontdekker Kaemfer, die de boom vanuit Japan introduceerde.

Classificatie
Omdat de Ginkgo naar huidige taxonomische inzichten moeilijk te classificeren valt heeft de boom een “status aparte”gekregen. In het verleden werd hij gemakshalve nog wel ingedeeld bij de coniferen(kegeldragers). Het is echter geen kegeldrager, hoewel hij wel tot de naaktzadige behoort. De abrikoosachtige vruchten zijn technisch gezien niet de vrucht, maar de uitwendige (vruchtvleesachtige) zaadhuid, die samen met het harde inwendige (nootachtige) deel het eigenlijke zaad vormt.
De status aparte houdt in dat de boom binnen de vijf groepen van zaadplanten zijn eigen stam (de ginkgophyta) heeft gekregen.Zijn er in vele andere plantenfamilies uitgebreide verwantschappen en vertakkingen, bij de ginkgo blijft het alleen die ene boom die de klok slaat, hoe ver je ook terug gaat in de tijd. Dat betekent dat de indeling niets aan duidelijkheid te wensen overlaat zodat het unieke karakter van de boom nog maar eens benadrukt wordt. De Ginkgophyta-stam wordt onderverdeeld in de klasse van de Ginkgoopsida, deze in de orde van de Ginkgoales. Deze orde kent slechts een familie, de Ginkgoaceae en het enige geslacht dat daartoe behoort is de Ginkgo.

Boombeschrijving.
De bomen in ons land hebben bij lange na niet de omvang bereikt van de ca. 1000 jaar oude bomen in Japan, China en Korea. De hoogste boom in Azië staat 100 km ten noorden van Seoul bij de Yon Muntempel en is 60 meter hoog met een stamomvang van 4.5 meter. Deze boom vertoont het opvallende verschijnsel van de chi-chi; de moederborsten. Oudere bomen ontwikkelen vanuit de stam en centrale onderste takken naar de grond afhangende stobben, die, als zij de grond raken, wortel kunnen schieten. In Azië worden ze gezien als een vruchtbaarheidssymbool. De chi-chi doen denken aan de knieën van de moerascipres (Taxodium distichum) die juist van de wortels uit omhoog groeien.
Forse Europese exemplaren zijn 15 a 20 meter hoog, feitelijk nog junioren,en kennen het verschijnsel van de chi-chi (nog) niet. De habitus van de boom is kenmerkend. Opvallend is de lange en rechte hoofdstam/ harttak, die op jonge leeftijd nogal eens de neiging heeft om uit het lood te staan. Koos van Zomeren typeert de boom in deze levensfase in zijn column “boom voor boom” in het nrc handelsblad weinig flatteus maar zeer doeltreffend als “slungelachtig”.
De ginkgo heeft in beginsel een piramidale vorm en een vrij losse, open structuur. Hij zet op onregelmatige afstanden vaak horizontale zijtakken die sterk kunnen verschillen in diameter.
De schors is grijs tot licht bruin en vertoont een lichte mate van kurkvorming met brede groeven die in verticale richting meanderen. De boom bevat een soort natuurlijk antivries die maakt dat de schors bij matige tot strenge vorst warm aanvoelt. Het meest in het oog springend zijn evenwel de bladeren. Zij zijn waaiervormig , geaderd met iets verheven nerven die vanuit de basis parallel lopen tot aan de bladtop (dichotome nervatuur). Ze zijn 5-10 cm groot met een stevige leerachtige textuur. In de herft verkleurt het onnavolgbaar botergeel, een genot voor het oog, zeker bij laanbeplanting. De diepte van de insnijding aan de top van het blad ( de biloba-vorm)wisselt sterk, ook aan dezelfde boom is een duidelijke variatie waarneembaar, vooral in het juveniele stadium.
Uit de bladoksels van het tweedejaars hout ontstaan de zogenaamde kortloten. Dit zijn korte, gedrongen groeischeuten met een trage groeisnelheid. De bladeren aan deze kortloten zijn gewoonlijk ongelobd. Door de wat gedrongen vorm lijken de bladeren in tuilen geplaatst te zitten aan het einde van de kortloten. Dit is ook de plek waar in het voorjaar de mannelijke katjes, of de vrouwelijke zaad(ei)knopjes zichtbaar worden. Zoals bij de meeste tweehuizige planten vindt de bestuiving door de wind plaats. De wijze van voortplanten heeft een duidelijke verwantschap met die van de mossen en varens. Het mannelijke stuifmeel bevat 2 sporophyllen die na de bestuiving transformeren naar vrij bewegelijke zaadcellen met een zweepstaart. Zij weten op eigen kracht een van de twee vrouwelijke eicellen in de zaadknopjes te bereiken. De zaden die hierop gevormd worden vallen in november, meestal net na de bladeren van de boom. Dit is niet voor een ieder een onverdeeld genoegen. De zachte zaadhuid bevat namelijk een chemische substantie, butaanzuur, dat bij het rottings/gistingsproces een wel zeer onwelriekende en doordringende geur verspreid. Bovendien tast het zuur de laklaag van auto’s aan, zodat voor het gebruik als laanboom alleen mannelijke cultivars worden gebruikt.
De Ginkgo is een zeer makkelijke, weinig veeleisende plant in cultuur. Elke grondsoort voldoet mits niet te droog. Hij is uitstekend bestand tegen ziekte/ plagen en andere invloeden (luchtvervuiling) van buitenaf. Bekend is de anekdote van de ginkgo in Hiroshima die , hoewel hij slechts binnen een straal van 1 kilometer van de inslag van de atoombom was geplant , de aanslag heeft overleefd. De winterhardheid laat niets te wensen over, de boom kan tot 35 graden vorst probleemloos doorstaan. Pas aangeplante bomen kunnen in beginsel wat moeite hebben met “settelen”. Daarna is een jaarlijks schot van en meter mogelijk.
De voorkeurstechniek voor vermeerdering door professionals is stekken en enten. Alleen zodoende kunnen de cultivars betrouwbaar en “soortecht”worden geteeld. Ook zaaien behoord tot de mogelijkheden. Het zaad komt na een rustperiode en ongeacht de voorbehandelingsmethode goed op. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat zaad dat van Nederlandse bomen afkomstig is weinig kiemkrachtig is. De beste tijd voor het nemen van de stekken is vroeg in de zomer. Geduld is noodzakelijk, gemiddeld duurt het een jaar voor ze aanslaan. Er zijn zo’n 60 cultivars in omloop, waaronder zuilvormige, dwergvormen, treurvormen en bomen met een atypische bladvorm.

Daan van Schooneveld

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *