Johan Mullenders

Diana

In het mooiste bomenpark van Amsterdam, staan vele bomen: grote en kleine, oude reuzen en piepjonge, veel voorkomende en zeer zeldzame, en dat is ook hoe het hoort in een arboretum. Na meer dan 23 jaar werkzaam op De Nieuwe Ooster weet ik van vele bomen de achtergronden. Wanneer ze geplant zijn, van welke kweker ze afkomstig zijn, hoeveel ze gekost hebben of van wie we ze gekregen hebben. Mensen kunnen namelijk ook bomen planten ter herinnering aan iemand die er niet meer is. Als zo`n herinneringsboom geplant wordt mag ik daar vaak bij zijn en niet zelden gaat dat gepaard met een traan. Ik durf toe te geven dat daar soms een traan van mij bij zit.

Een enkele keer ontdek ik een boom waarvan ik niet weet hoe die daar komt. Zo ontdekte ik jaren geleden achter een graf een Larix met een vreemde groeivorm, de takken waren enigszins gedraaid ten opzichte van de natuurlijke soort. Het bleek te gaan om de Larix kaempferi ‘Diana’. Deze gecultiveerde soort stond niet op onze collectielijst, dus ik belde met de rechthebbende van dat graf met de vraag of ik op die Larix, die zij zelf geplant had, een boombordje mocht bevestigen met de naam en verdere gegevens van de boom. Als dank daarvoor kwam op datzelfde bordje een regel te staan waarmee haar man herdacht wordt die in het voorliggende graf begraven ligt. En zo geschiedde. Een paar weken later komt een boze dame verhaal halen wie dat bordje op die boom gehangen heeft. Ze was de dochter van de overleden heer die graag wilde weten ‘who the **ck Diana wel niet is! Ik moest haar overtuigen middels de Internationale plantenlijst dat Larix kaempferi ‘Diana’ een geregistreerde boomnaam is die een kweker zo bepaald heeft. De dochter vertrok opgelucht met de geruststellende gedachte dat haar vader niet was vreemdgegaan met ene Diana.

Ik heb altijd al een keer dit verhaal willen opschrijven. Met rondleidingen door het gedenkpark is het steevast een lachwekkende anekdote. Maar momenteel heeft de naam Diana een heel andere betekenis voor me en dat is alles behalve lachwekkend……… Diana, onze lieve, kleine, dappere collega is niet meer. Afgelopen week is ze overleden aan de gevolgen van een zware hersenbloeding. Na weken zweven tussen hoop en vrees heeft ze ons op 51 jarige leeftijd in verdriet achtergelaten. Zomaar wordt iemand veel te vroeg uit het leven weggerukt. Het is oneerlijk. Over de vraag waarom probeer ik me maar niet bezig te houden want daar komen we met z`n allen toch niet uit. De wereld blijft haar rondjes draaien en alles gaat verder. Wij gaan ook verder maar nu zonder lady Di, zoals ik haar altijd noemde.

In het mooiste bomenpark van Amsterdam, staan vele bomen. Maar er ontbreekt er één: een boom voor Diana. Een boom voor Diana zodat zij te midden van ons voortleeft en dat we blijvend herinnerd worden aan ‘Who the **ck’ Diana was.

Lieve Lady Di, waar je ook bent, heb t goed.Diana

 

 

 

 

 

 

Johan Mullenders

 

 

Splitten of lumpen?

Bent u een splitter of een lumper?
Nou kan ik mij heel goed voorstellen dat er bij u een wenkbrauw omhoog gaat. Ben ik een splitter of lumper? Deze termen kom je niet dagelijks tegen, dus ik help u op weg. Wikipedia zegt hierover het volgende:
Lumpen en splitten (op een hoop te gooien en splitsen) zijn tegengestelde tendensen binnen een discipline om op basis van kleine verschillen wel of niet te categoriseren. Daarbij heeft een splitter een grotere voorkeur voor een nieuwe classificatie met een precieze definitie, terwijl een lumper deze eerder bij elkaar veegt. Een lumper let meer op overeenkomsten, terwijl een splitter de nadruk legt op verschillen.

In de botanische wereld lopen heel veel splitters en lumpers rond. Een echte splitter wil heel graag elk minimaal verschil dat hij (of zij) aantreft bij een zelfde soort plant, struik of boom aangrijpen om hieraan een nieuwe naam te geven. Joepie! Weer een nieuwe soort ontdekt die op de kwekers- of collectielijst kan. Veel kwekers of hobbyisten kruisen soorten om tot iets nieuws te komen. En als blijkt dat de nieuwe eigenschap stand houdt, mag deze op de markt. Het voegt iets toe!
Nu ben ik zelf iemand die dolgraag nieuwe soorten aanplant in ons arboretum. Vooral noviteiten hebben mijn voorkeur en ja, ook ik zie graag onze collectielijst groeien. Maar toch gaat het hier en daar een beetje scheef vind ik. Soms zijn die verschillen in soorten zo klein dat je bijvoorbeeld een vergrootglas nodig hebt om deze te kunnen zien. Ik denk dan bv. aan het wel of niet aanwezig zijn van kleine haartjes aan de onderzijde van het blad, verstopt in de okselnerven. Of dat de kleuren van de naalden iets blauwachtigs groen hebben in plaats van iets groenachtigs blauw. Laten we een voorbeeld nemen en man en paard …eeeeh boom noemen: Zo is daar de zakdoekjesboom, de Davidia involucrata. Er is een variëteit op de markt met de naam vilmoriniana. Het verschil is dat de onderzijde van de bladeren bij deze variëteit niet behaard is. Onder dendrologen ontstaan vele discussies hierover. Als je alleen het blad van de zakdoekjesboom onderzoekt begint de twijfel: is dit blad nou kaal te noemen of zie ik door mijn loep toch haartjes?
Met de excursies van de Nederlandse Dendrologische Vereniging loop ik wel eens mee en ik geniet volop als daar weer zo`n groep echte kenners staat te discussiëren of het nou die of die soort is. En geloof me, zo`n discussie gaat er niet zachtzinnig aan toe. Bij ons in het arboretum heb ik een paar keer experts in huis gehaald die alles weten over bepaalde soorten zoals iepen, appels, lindes of prunussen. Hiervan zijn zoveel soorten en variëteiten op de markt, dat het erg lastig kan zijn om ze goed op naam te brengen. Altijd weer leerzaam en leuk zo`n rondgang, maar na afloop blijven we toch met vragen zitten.

Ik trek een vergelijking met mensen. Een echte Chinees herken ik. Een Japanner en een Hindoestaan kan ik er meestal ook nog wel uitpikken. Maar ziet u op uiterlijke kenmerken het verschil tussen een echte Volendammer en iemand uit Pieterburen? Die verschillen zijn er wel, maar dat verreist onderzoek of op z`n minst een gesprekje met hen.
Misschien leest u het tussen de regels door: ik ben een lumper. Al die minimale verschillen gaan mij te ver. Voor mij is er maar één zakdoekjesboom. Hoewel….. ik heb vorige week de Davidia involucrata ‘Lady Dahlia’ gekocht. Deze zakdoekjesboom heeft een gele rand rondom de groene bladeren. Jippie, ik kan niet wachten tot het voorjaar komt. Lang leve de splitters!

Johan Mullenders

 

De Vier Musketiers

Vier min één is vier

Vorig jaar werd ik benaderd door een dame van boomkwekerij Ebben in Cuijk met de vraag of ik een presentatie wilde geven ter gelegenheid van het uitkomen van het boek ‘Bomen op begraafplaatsen’. Aangezien dit een prachtige gelegenheid was om ons arboretum te promoten gaf ik daar maar wat graag gehoor aan. En alsof dat nog niet genoeg was werd  ook gevraagd of een column van mijn hand geplaatst mocht worden in datzelfde boek. Ik voelde me groeien, wat een eer en wat ligt geluk en vedriet dicht bij elkaar. Ik had namelijk vlak daarvoor een graf uitgegeven aan een droevige familie van wie het verhaal over het verlies mij niet onberoerd liet.
Op die bewuste presentatiedag, een prachtige dag in mei, werd ik aangeschoten door John uit IJmuiden. John had al van De Nieuwe Ooster gehoord en wilde nu absoluut met zijn drie boomvrienden langskomen voor een rondleiding. Hij gaf me zijn kaartje en zou contact opnemen voor een afspraak. Aldus geschiedde. Ondanks dat de agenda`s van de heren vol zaten werd uiteindelijk woensdag 26 juni geprikt. Normaal is woensdag mijn vrije dag maar voor hen wilde ik graag een uitzondering maken. Een rondleiding verzorgen voor echte liefhebbers is voor mij een heerlijk uitje en zie ik niet als werk.
En daar stonden ze dan op de parkeerplaats, John, Robert Jan, Lex en Rob. Vier heren die allen rond de pensioengerechigde leeftijd zaten, zo schatte ik in. Ze noemde zichzelf de Vier Musketiers en kende elkaar door en door. Vrienden voor het leven met een gezamenlijk passie voor groen en bomen. Al gauw bleek dat we het wandeltempo moesten aanpassen aan de conditie van Robert Jan die leed aan de allom gevreesde ziekte. Zijn conditie was helaas slechter dan ingeschat en de rondleiding werd voorgezet in onze golfkar. Zo kon Robert Jan toch het hele arboretum in zich opnemen. De heren genoten volop en in het bijzonder Robert Jan. Na afloop werd ik bedankt in de vorm van een prachtige kuipplant, een zalm van 8 ons en alslof dat nog niet genoeg was mocht ik ook nog een boom uitkiezen voor het arboretum. En wederom overviel mij een golf van geluk.
De keuze van de boom viel op een Goudkleurige watercipres, of voor de echte fanaten een Matasequoia glyptostroboides ‘Ogon’. In het komende plantseizoen zouden we met elkaar de boom ceremonieel gaan planten en elkaar dus weerzien.
Het was zover, de boom zou geplant worden op donderdag 13 februari. Op die middag verschenen  er echter maar drie Musketiers. Robert Jan wat conditioneel te slecht om dit mee te maken maar was er in gedachten bij, aldus de merkbaar bezorgde en aangedane vrienden. Bij de boom haalde John uit zijn tas vier glazen en een fles champagne. We toostten op de gezondheid van de boom maar vooral op de gezondheid van Robert Jan die uit monde van de drie Musketiers toegesproken werd. Proost!

Op 24 februari 2014 is Robert Jan overleden. Zijn ziekte werd hem fataal. De drie Musketiers hebben hem in Leiden naar zijn laatste rustplaats gedragen. John berichtte mij hierover en vertelde dat zij voortaan verder gaan als ‘De Vier Musketiers’. Lijfelijk is Robert Jan niet meer aanwezig maar in hun hoofd en hart des te meer. Eerdaags zal de boom zijn goudkleurige naaldjes laten zien en stralen zoals ook Robert Jan schitterde. Op het boombordje staat de volgende tekst: Geschonken door : de vier Musketiers – Rob Boekelman,  John Todirijo, Robert Jan van der Vlis, Lex wijnbeek.

Ik zei het al eerder, geluk en verdriet liggen vaak dicht bij elkaar. Bij het planten van bomen die herinneren aan hen die er niet meer zijn word ik meegenomen in de verhalen en het verdriet van hen die achter blijven. Het raakt me. Tegelijkertijd besef ik  dat ik een prachtbaan heb en niets anders meer zou willen. Ik hou van de bomen, ik hou van de verhalen en ik besef dat ik leef!  Ik ben een gelukkig mens.

Robert Jan, deze is voor jou. Proost!

Johan Mullenders

Latijnse namen

Op de lagere Land- en Tuinbouwschool werd ik voor het eerst geconfronteerd met Latijnse namen van al wat groeit en bloeit. Vreemd eigenlijk dat ik hier niets eerder over vernomen had. Zowel mijn moeder hield zich volop bezig (en nog steeds) met plantjes en bloemetjes en mijn opa was een echte hovenier met een heuse opleiding, gevolgd in Frederiksoord (Fr.). Van mijn moeder hoorde ik nooit een Latijnse naam. Zij zaaide Margrietjes en plantte Afrikaantjes en plukte Judaspenning. Dat ik later kon vertellen dat Judaspenning eigenlijk Lunaria annua heet bracht bij haar geen enkele emotie teweeg. Zij bleef doorgaan met Judaspenning plukken en Lampionplantjes verspenen; voor de goede orde vermeld ik hier dat het gaat om Physalis alkekengi! Gelukkig was mijn opa iets meer geïnteresseerd. Dat moest ook wel, hij was tenslotte een vakman. Toen ik trots vroeg of hij de Potentilla frutosica kende, een bloemetje die wij in de eerste klas met tekenles zo mooi mogelijk moesten natekenen, antwoordde hij direct verbeterend `fruticósa` met een klemtoon op de o. Slik! Ik realiseerde dat dit dus heel gevoelig ligt en met grote voorzichtigheid uitgesproken moet worden. Bij mijn moeder kon ik het gelukkig hebben over de heesterganzerik, een stuk veiliger.
Maar veiligheid werd op de opleiding niet ingebouwd. Wilde je in dit vak vooruitkomen en `iets` worden, dan moest je al die moeilijke namen, want dat waren ze, in je hoofd stampen. En dus begon de kwelling. Een eik werd een Quercus, een beuk een Fagus en een linde veranderde in een prachtige Tilia. Hoe meer deze namen eigen werden hoe leuker ik het vond om ze ook te gebruiken. Zelfs bij mijn opa durfde ik over een Fraxinus (es) te praten. De meeste namen kon ik redelijk eenvoudig onthouden, maar een enkele schreef ik op een klein papiertje en haalde het zo vaak mogelijk te voorschijn om deze in mijn kop te stampen. Zo herinner ik mij nog dat de Metasequoia glyptostroboides (wie zou niet zo`n boom willen hebben) een week of drie in mijn broekzak overal mee naar toe ging. In de bus, op de fiets en zelfs onder mijn kussen. Ik moest die naam uit kunnen spreken alsof het mijn eigen voornaam was. Nog steeds is dit mijn favoriet, hoewel de Ceratostigma plumbaginoides er ook mag wezen, waarmee ik het `gewone` loodkruid bedoel.
Het bezigen van al die Latijnse namen is bij elke vakidioot een prettige bezigheid. Je laat zo zien dat je weet waar je over praat en dat je geen gewone hobbyist bent die maar wat aanlult (sorry ma). Nee, zoals ze op de opleiding al meegaven, spreek Latijn en je bent iemand. Wat het allemaal erg lastig maakt is dat sommige namen veranderen. Een groep van wijze mensen beslist op basis van wetenschap dat een bepaalde boom anders moet heten. Zo heet de Platanus x acerifolia nu opeens P. x hispanica en de op school geleerde Salix alba `Tristis heet nu Salix x sepulcralis `Chrysocoma`. De boom zelf trekt zich daar niets van aan en blijft dezelfde treurwilg . Wat dat betreft heeft mijn moeder het maar makkelijk, die heeft het nog steeds over dezelfde treurwilg.
Maar stel je voor dat ik tijdens een rondleiding door ons arboretum met dendrologen (vakidioten die de aardappel op hun bord naar binnen werken als Solanum tuberosum) een Latijnse naam uitspreek die twee maanden daarvoor veranderd is, dan word je echt niet serieus genomen! Dan hoor je eigenlijk thuis in de groep van hobbyisten.
Op De Nieuwe Ooster worden momenteel nieuwe boombordjes opgehangen. Omdat wij onszelf als arboretum serieus nemen wordt de Latijnse naam als eerste en het grootst vermeld en daaronder, iets kleiner, de Nederlandse naam. Voor mijn opa zou dit als vanzelfsprekend geweest zijn, mijn moeder had het liever andersom gezien. Maar gelukkig….. als ik straks tegen haar zeg dat de Forsythia in het park uitbundig bloeit, begrijpen we elkaar!

Johan Mullenders

Een multiculturele samenleving in het arboretum…..

Het kabinet is gevallen… het land maakt zich op voor nieuwe verkiezingen. Kranten staan vol van partijprogramma`s en op de televisie worden heftige debatten gevoerd. Lijsttrekkers verkondigen waarom hun partij de meest verstandige keus is om op te stemmen. Hoewel ik het vaak heftig interessant vindt om de discussie te volgen, moet ik bekennen dat ik een van die mensen ben die niet naar de stembus gaat. Dit tot groot ongenoegen van, onder andere, mijn zeer gewaardeerde collega Jeroen die het elke keer weer nodig vindt om met mij daarover in discussie te gaan. ‘ Mensen moeten gebruik maken van hun democratisch recht” aldus Jeroen. Ik zeg ook niet dat niets mij onberoerd laat op politiek vlak. Als ik termen hoor zoals hoofddoekjes, kut-marokkanen, verblijfsvergunning, assielopvangcentra, etc. dan begint het toch wel ergens te jeuken. Begrijp mij goed: ik val geen enkele politicus die over deze termen een sterke mening heeft af of bij, daarvoor verdiep ik mij te weinig in deze materie. Ik zucht en hoop op beter. Juist in deze periode denk ik aan onze bomen in het arboretum van De Nieuwe Ooster die het goede voorbeeld geven. Immers, zijn zij juist niet een afspiegeling van de multiculturele samenleving in een stad als Amsterdam? Een Noorse esdoorn staat gebroederlijk naast een Turkse eik. De Finse meelbes is al jaren lang een goede overbuur van de Perzische slaapboom en de Koreaanse zilverspar deelt zijn grondgebied met de Kaukakische els. De Spaanse aak zuigt net zo veel vocht op als zij nodig heeft en laat genoeg achter voor de Chinese slangenesdoorn die toch echt veel van dat spul gebruiken kan. En zonder daar maar enige woorden aan vuil te maken, mag de Japanse haagbeuk heerlijk in de schaduw staan van de reusachtige Libanonceder. De Oosterse beuk accepteert dat hij, vanwege zijn standplaats, minder aandacht krijgt dan de altijd op de voorgrond staande Canadese populier en geen van de bomen hoor je klagen dat het blad van de Japanse notenboom model stond voor het logo van De Nieuwe Ooster. Zelfs de vermeende `lastige` Portugese kers past zijn groeiwijze (lees: leefwijze) aan, aan de kort op afstand staande Servische spar die nou eenmaal iets meer leefruimte nodig heeft. Als er al turbulente omstandigheden komen in de vorm van een storm – misschien te vergelijken met de kredietcrisis in de menselijke wereld – dan buigen de takken met de wind mee, en dat allemaal tegelijk en dezelfde kant op. Ja, zelfs de altijd stugge Amerikaanse eik laat zijn twijgen meedansen als een gezamenlijk en mondiaal optreden. Natuurlijk is er altijd wel een dissident, een anders denkende, in de vorm van een Mongoolse linde. Maar deze boom houdt zich koest en beseft maar al te goed dat hij nergens een meer vreedzame en kleurige plek kan vinden om te gedijen dan in het multiculturele arboretum in Amsterdam… een voorbeeld in stilte.

Sorry Jeroen, ook dit keer laat ik mijn stem voorbij gaan. Ik geniet van al het moois dat er is en als het nodig is buig ik, net als mijn bomen, flexibel mee.

Johan Mullenders

Nieuwe bomen

`Amsterdams mooiste bomenpark`.
Wie een pen ter hand neemt van onze stichting ter promotie van ons mooie bomenpark kan deze tekst niet ontgaan. `Mooiste bomenpark`! Een superlatief die natuurlijk betwist kan worden door menigeen. Wie bepaalt wat het mooiste bomenpark is en waar moet je dan aan voldoen? Omvang van het park? Hoeveelheid boomsoorten? Variatie in kleur en vorm? Het pallet van herstkleuren? Zeg het me maar!
`Schoonheid ligt verborgen in de ogen van de aanschouwer`, maar ondertussen blijf ik bij de kreet op onze pennen verdedigen: De Nieuwe Ooster is Amsterdams mooiste bomenpark, punt. De geestelijke vader van ons park, Leonard Springer, die in 1892 de begraafplaats heeft ontworpen en aangelegd, heeft mij deze kreet als rechtgeaarde dendroloog ingefluisterd. Zijn schuld dus!

Via diverse wegen komen jaarlijks nieuwe bomen ons park in. Nabestaanden evenals boomliefhebbers schenken een boom, of vanwege uitval of nieuwe aanleg worden nieuwe keuzes gemaakt. Hoe dan ook, als boomverzorger van het gedenkpark heb ik een redelijk grote invloed op de soortkeus.
Als eerste criteria voor de keus wordt gekeken of de soort al vertegenwoordigd is in het arboretum. Hoe meer soorten, hoe meer uitstraling van het bomenpark, althans dat houd ik me voor. Na soortkeuze, prijsafspraken, datum van levering etc. worden de kleine groene longen naar hun nieuwe woonplaats gebracht. Uit diverse delen van het land worden de nieuwe aanwinsten, soms met enorme vrachtwagens, het park op gereden. Ja, en dan gebeurt er iets wonderlijks, Iets wat ik wil onderdrukken omdat het niet bij ` stoere ` boomverzorgers hoort: ik wordt een beetje wee, ik voel me gelukkig, ben trots. Daar komt de rode esdoorn, Chinese tulpenboom, gouden treurbeuk, kiespijnboom, zwepenboom, Godenpeer, dakpaneik etcetera. De bomen worden met behulp van een kraan van de wagen gehesen en natuurlijk ontvang ik de bomen met open armen. Nauwelijks de grond geraakt bestudeer ik het naamlabeltje of het werkelijk de bestelde geelbloeiende Magnolia `Yellow Bird` is. Ik krabbel de afleverbon, de chauffeur vertrekt en daar sta ik dan, temidden van` mijn` nieuwe bomen. Want zo voelt dat dan. “Welkom in het mooiste bomenpark van Amsterdam” zeg ik zacht tegen ze. Ik geloof niet, in tegenstelling tot sommige anderen, dat je met bomen kunt communiceren. Maar vreemd genoeg is mijn gevoel op zulke momenten anders.
Samen met een collega breng ik de bomen naar de nieuwe plek. Met de grootste zorg wordt de nieuwkomeling geplant. De oudere bomen begroeten in stilte de nieuwe buurman en ik zie in mijn gedachten de Latijnse naam van de boom al op onze collectielijst pronken. Boom nr 537!
Daags na planten ga ik nog even terug naar de boom en met mijn hand aan het prille stammetje wens ik hem een groeizaam en lang leven. Als jij je mooie blaadjes en bloemetjes laat zien krijg je van mij wat extra water in de zomer, deal? Geloof ik dan toch dat je met ze kan praten?

In het voorjaar kan ik nauwelijks wachten tot de jonkies hun pracht laten zien. Is het blaadje werkelijk geel, getand, gelobd? Is het bloemetje echt zacht roze zoals de boomcatalogus beweert? En als alles dan blijkt te kloppen en ik leid een groep bomenliefhebbers door het park langs de nieuwe aanwinsten weet ik het zeker: De Nieuwe Ooster is Amsterdams mooiste bomenpark.

Johan Mullenders