Gastcolumnist

Loop even met mij mee
ijssneeuw-2Jl. 18 januari werden we verrast door een wonderlijk en prachtig natuurverschijnsel. Er was door bevriezing van waterdamp een schitterende witte aanslag in de vorm van ijsnaaldjes te zien op de takken van de bomen toen ik onze laan inkeek.   Deze vorm van rijp is een toch redelijk zeldzaam natuurverschijnsel.
Er bleek mist te zijn en de waterdamp had zich op de takken vastgezet in de vorm van ijskristallen en vertoonde zich in de vorm van naalden. Iets waar je je over kunt verwonderen.
Mijn echtgenote en ondergetekende togen naar Amsterdam, naar ‘ons’ arboretum “De Nieuwe Ooster”.ijssneeuw-3ijssneeuw
Loop even mee, ik laat hier een paar foto’s zien om een beeld te geven van dit natuurverschijnsel en hoe mooi dit bomenpark er ook dan uit kan zien.
Ja, ook in de winter en zeker op zo’n dag als jl. 18 januari, is er volop van de natuur ofwel in arboretum “De Nieuwe Ooster” te genieten.
De grote verscheidenheid aan bomen daar moest dan ook prachtige beelden tonen. En, dat deden zij.
De bomen, maar ook de struiken, stonden te pronken met deze vorm van rijp op hun takken.
Er waren nog een paar wandelaars, maar er waren er veel te weinig. Het trekt niet als het koud is, maar je mist dit soort bezienswaardigheden als je thuis blijft zitten.
Ook kaal zijn de bomen een bezienswaardigheid en een wandeling door het park is zeer de moeite waard.
Wij, mijn echtgenote en ondergetekende, maakten vele foto’s, maar je moet zoiets feitelijk terplekke bewonderen.

Het fotobeeld en de contrasten zeggen genoeg, ik hoef er verder niets over te schijven.

 

 

Gerard Groters
Amstelveen

Communicerende bomen

U zal dit schouderophalend gaan lezen, wellicht nieuwsgierig gemaakt door slechts twee woorden.
Aan het voor bomen stille jaargetijde komt langzaamaan een einde. Interessante processen zullen van wortel tot kroon weer worden opgestart en de bomen zullen meer aandacht gaan trekken. Hoewel ze in ieder jaargetijde een speciaal uiterlijk hebben, velen van ons bewonderen ze vooral in het voorjaar.
Na de winterperiode, waarin we de bomen hebben kunnen aanschouwen in hun naakte gedaante, komt stilletjes aan het ontluiken of opengaan van hun knoppen.
Een eenvoudige laan met bomen verandert in een opzienbarend schouwspel van jong blad en vaak ook bloesem.
In ‘ons’ arboretum, met de vele bijzondere bomen, is het dan genieten geblazen van de talloze groene kleuren van het jonge blad. Wij, mijn vrouw en ik, kunnen ernaar uitkijken en komen regelmatig kijken naar de stand van zaken in ‘ons’ bomenpark. Ga maar eens op pad om de tulpenbomen te ontdekken en hun bijzondere bloem die daar ‘straks’ aan prijkt.Fagus sylvatica 'Atropunicea' vak 1 (4)
Ik las net, 30 maart, in “het verborgen leven van bomen”. Het boek is deze dag net verschenen.
Ik wil geen boekbespreking houden, maar iets over het verborgen leven van bomen schrijven.
Als je wat van het leven van de boom kent, de processen die noodzakelijk zijn om te kunnen leven en te kunnen groeien, dan vult het verborgen leven je interesse naar bomen nog meer aan.
Als ik lees, dat kromme, knoestige bomen als inferieur werden beschouwd totdat er werd geleerd om op de stammen en hun kwaliteit te letten, bijzondere groeivormen en een zacht vachtje van mos op de bast(schors), ben ik verder in dit verborgen leven gedoken.
Bomen zijn sociale wezens, die hun voeding delen met soortgenoten en samen voor een ecosysteem zorgen dat extreme warmte en kou matigt, veel water opslaan en heel vochtige lucht veroorzaken, las ik. In zo’n beschutte omgeving kunnen ze heel oud worden. Wie zou dat niet willen.
No nog een stukje over de taal van bomen en dan rond ik mijn column bijdrage af.
Giraffes vreten van schermacacia’s, iets wat de boom niet bevalt. Om deze grote planteneters kwijt te raken, slaan de acacia’s binnen een paar minuten gifstoffen op in hun bladeren. De giraffes weten dat en trekken weg naar de volgende boom. Maar niet de dichtstbijzijnde! Nee, ze laten verschillende exemplaren links liggen en pas na een paar honderd meter zetten ze hun maaltijd voort. De reden?
Aangevreten acacia’s wasemen een waarschuwingsgas uit waarmee soortgenoten duidelijk wordt gemaakt dat er onheil is en de anderen slaan ook gifstoffen op om zich voor te bereiden.
De geurboodschap werkt als communicatie tussen de bomen onderling.
Zo zijn vriendschappen van bomen beschreven, hun taal, sociale dienst, liefde, etc.
Kom naar het arboretum de Nieuwe Ooster en bewonder de bomen om wat ze zijn en wat ze kunnen. U zult daar zeker geen spijt van hebben en er vaker heen willen.

Gerard Groters

Ik ben geen deskundige op dit terrein maar slechts geïnteresseerd.

 

 

Baobab of Apenbroodboom

De boom is voor ons het meest vertrouwde symbool der levende natuur. Een kale omgeving doet ons al snel vragen om begroeiing, naar bomen.
Een wandeling in een bos geeft ons de kans te ontsnappen aan dat wat ons stoort in onze omgeving. Aan de drukte of vijandige omgeving. Zo’n wandeling in het bos, waar het steeds stiller wordt naarmate je steeds meer afstand van de drukte of de geluiden neemt door het bos in te wandelen. Baobab
Een eerste aanblik van de grootte, statige sequoia maakt ons nietig klein. Wij, mijn echtgenote en ik maakten jaren terug een wandeling door het sequoia woud in het noorden van Californië. We reden met een camper door een door mensen gemaakte poort in de stam van zo’n woudreus. Wat een geweldige ervaring, ook om daar geweest te kunnen zijn.
We kunnen genieten van, en onbewust in stemming raken door, de met het seizoen veranderende kleuren, en de voorjaarskleuren die ons vervullen met beloften.
Mij fascineert de Baobab (Apenbroodboom) wat kwam door een stuk uit het versteende woud van Madagaskar. Het is ongeveer 230 miljoen jaar oud (Perm) en staat bij andere stukken versteend hout op mijn boekenplanken. Versteend hout mochten wij bewonderen in het Petrified Forest, een groot gebied in Californië dat er vol mee ligt. Van kleine stukken tot reuze stammen.
Het is een soort fossiel waarin de organische materialen als cellulose en lignine zijn vervangen door mineralen, met behoud van de structuur van het hout.
De Baobab heeft geen groeiringen zoals andere bomen en een andere bijzonderheid is dat hij in zijn stam water kan opnemen en bewaren zodat hij in hitte en droge tijden kan overleven.
Van zijn vezels worden o.a. matten geweven en andere huishoudelijke producten.
Baobabs behoren tot de oudste levensvormen op aarde en kunnen een omtrek tot wel 34 meter bereiken met een hoogte tot wel 25 meter. Het is een geslacht wat 8 soorten kent. De boom heeft de olifant als vijand omdat die de zachte bast eet. Zijn bijnaam Apenbroodboom dankt hij aan het feit dat apen zijn vruchten eten.

Gerard Groters

Amstelveen

Doornen of stekels?

Een uitnodiging in een regionaal krantje was de aanleiding voor een fietstocht naar Maarssen. Het was een frisse, maar mooie lentedag. Onderweg naar de boomkwekerij zien we op verschillende locaties ooievaars en in de Bethunepolder kuifeendjes.

Na wat rondgelopen te hebben tussen de verschillende bomen, heesters en vaste planten kwam ik een boom met stekels teChristusdoorngen. Hij kwam me bekend voor. Ik had zo’n boom al vaker gezien, dat wist ik zeker.

Een jongen van de kwekerij zag me geïnteresseerd naar de stekelige boom kijken en vroeg of ik een boom zocht, waar de kinderen niet in zouden klimmen. Op het label dat aan de boom bevestigd was, had ik de soortnaam al gelezen: Gleditsia. De jongen noemde ook deze naam. Waarschijnlijk wist hij de Nederlandse naam van deze stekelige boom niet, anders had hij die er wel aan toegevoegd. Thuis gekomen ben ik natuurlijk op internet gaan zoeken en wat bleek, de boom met stekels is de valse christusdoorn.

Ik had al eens een stokoud exemplaar in het Von Gimborn Arboretum in Doorn gezien en een wat jongere in een straat in Harmelen. Die eerste locatie is niet zo verwonderlijk. Een arboretum is immers een verzameling van verschillende soorten bomen. Dat ik een valse christusdoorn als straatboom in Harmelen aantrof, was destijds een verrassing voor me. Een jubelmomentje tijdens een wandeling.

Het gesprek met de jongen van het tuincentrum ging verder. Blijkbaar had ik iets verkeerds gezegd over de boom, want de tuinjongen ging me het verschil uitleggen tussen doornen en stekels. Een stekel kan uitgroeien tot een takje. Een doorn kun je makkelijk van de tak verwijderen.

Natuurlijk heb ik dit thuis ook opgezocht. En wat blijkt? Een doorn bevat vaten en kan uitgroeien tot een takje. Een stekel, zoals bij braam, is een kegelvormig uitgroeisel van de oppesneeuwklokjerhuid en is niet verbonden met het inwendige van de stengel of tak. Van de stekels bij rozen zou het onduidelijk zijn uit welk weefsel ze gevormd worden, en dus of het stekels of doornen zijn, maar meestel heeft men het over rozen met stekels, las ik. Nou, volgens mij noemen we de stekels van rozen net zo makkelijk doornen, denk maar aan Doornroosje.

Bij vertrek kreeg ik als dank voor mijn bezoek aan de open dag een potje met toch wel bijzondere sneeuwklokjes mee. Nee, geen dubbele, maar wel groot of breedbladig! Binnenkort krijgen ze een mooi plekje in mijn voortuin.

© Caroline de Vlieger
Breukelen, 18-3-2015

De merel en de gouden regen

Wij hadden een bovenhuis met balkons, in de lommerrijke Amsterdamse wijk de Watergraafsmeer. Erg groot waren onze balkons niet en maar één ervan leende zich ervoor om wat plantenbakken neer te zetten. We hielden voornamelijk eenjarige bloeiers, maar in één bak lieten we opkomen wat zich aandiende. Zo verscheen er op een gegeven moment een takje: het was duidelijk niet het begin van een bloemstengel en al gauw begon het de gedaante van een boomtak en nog later van een stammetje aan te nemen.
Toen gingen we verhuizen. Niet naar een huis met een tuin – waar we al heel lang naar op zoek waren – maar met een groot dakterras. Natuurlijk verhuisde de bak met het stammetje mee: het was de eerste van een verzameling bakken en potten die zou uitgroeien tot meer dan tweehonderd stuks. Zoals dat gaat, als je geduld hebt en met zorg en beleid te werk gaat, werd ook dit plantje groter en groter, totdat het, na een jaar of vier, ging bloeien en ons de mogelijkheid bood om te determineren …
Het was een Gouden Regen, Cytisus Laburnum*, volgens Linnaeus. Met behulp van de Geïllustreerde Flora van Nederland – van de hand van Heimans, Heinsius en Thijsse (Jac. P.) – en via allerlei sites op internet verzamelden we bizonderheden over onze onverwachte aanwinst. Zo leerden we van Heimans en z’n collega’s dat alle onderdelen van een gouden regen giftig zijn; dus schors, wortels, bladeren, bloemen en zaden zijn niet geschikt voor consumptie.
Maar let wel, bedoeld wordt: niet geschikt voor menselijke consumptie. Want uit andere teksten kwam naar voren dat vogels de zaden eten en dat heel goed kunnen verdragen. Met name geldt dat voor de merel (Turdus merula). En wat bleek bovendien: de zaden van planten als de gouden regen maken meer kans om te ontkiemen als ze door het maag-darmkanaal van een merel zijn gegaan. Nu hadden we in de plantenbank op het balkon van ons vorige huis wel eens een merel zien scharrelen, vermoedelijk op zoek naar wormen, maar blijkbaar had hij ook iets voor ons achter gelaten.
Sinds deze ontdekking zijn de merels goede vrienden van ons geworden. Die vriendschap werd en wordt mede in stand gehouden doordat we ’s winters rozijntjes voor ze neerleggen. En dat levert ook wat op: na de verschijning van de gouden regen zijn tal van andere struiken en boompjes te voorschijn gekomen die vrijwel zeker op het conto van de merels kunnen worden geschreven; onder meer een mahonia, een ribes, een vlier en een wijnstok (na een winter waarin de rozijntjes op waren en we druiven hebben gevoerd).

De gouden regen kwam na dertien jaar aan z’n eind tijdens de periode met strenge vorst in februari 2012.

Wil Nieuwstraten

* noot arboretum: de juiste naam is tegenwoordig Laburnum anagyroides

Coniferen

Mijn ouderlijk huis stond tegenover een groot plantsoen. Wij, kinderen uit de buurt, vonden het natuurlijk heerlijk om daar te spelen. Dat kon niet onbeperkt, want het plantsoen was aangelegd als gedenkplek voor de gevallenen uit het dorp in de tweede wereldoorlog. Centraal stond een beeld van drie ruggelings tegen elkaar staande figuren: een soldaat met een geweer een boer met een schop en een engel met de bijbel. Via de schop van de boer en de bijbel van de engel kon je prima op de helm van de soldaat klimmen en overzag je zo een groot deel van de gedenkplek. Maar dat liet je wel uit je hoofd, want het resultaat was: naar buiten stappende boze buurtbewoners en tegen het raam tikkende ouders. Respect was een woord dat hier inhoud kreeg. Toch was je hier graag als kind aan het spelen. Dat werd gelukkig wel getolereerd. Verstoppetje was een geliefde bezigheid. Achter vele gedenkplaten, struiken en bomen kon je jezelf prima verstoppen. Aan de rand van het plantsoen stond een -in mijn beleving- enorm hoge conifeer. Vanaf de grond kon je hier gemakkelijk inklimmen. Via de zijtakken die keurig trapsgewijs aan de stam zaten kon je in een mum van tijd tot op grote hoogte stijgen. Zo hoog zelfs dat je over de huizen heenkeek in de achtertuinen. Ook kon je zo goed zien waar degene die hem was met verstoppertje liep en kon je zo ongezien het moment bepalen dat je naar de buut rende. Die conifeer is een belangrijk begin geweest voor de bewondering van het groen. Na de HAVO begon het echte leven pas op de Rijks Hogere School voor Tuin- en Landschapsinrichting in Boskoop. Een school met veel studenten in een relatief klein dorp, dat werd overheerst door kwekers van…coniferen. In de lessen plantenkunde kreeg je steeds na een half jaar bomen, struiken, vaste planten natuurlijk ook de coniferen. Aan de hand van een takje moest je familie-, soort en zonodig ook de variëteitnaam bepalen. Omdat de coniferen vrijwel allemaal wintergroen zijn werd dit onderdeel in de wintermaanden behandeld. Maar ja, coniferen. Waar je ook maar keek in Boskoop, overal zag je de perceeltjes met die knalgele ‘Rheingold’, die gifgroene variëteiten en meer van die griezelige kleurtjes. Hoeveel coniferen de gemiddelde Boskoper wel niet heeft opgepot of gestekt. Dat zal in de miljoenen lopen. Zo’n overkill aan deze plantengroep, waardor de RHSTL-student al snel een natuurlijke afweerreactie ontwikkelde. Wat is er nou boeiend aan zo’n dooie conifeer die er alle seizoenen vrijwel hetzelfde uitziet?! Ook ik had dit afweermechanisme. Zeker tot twintig jaar na deze opleiding is in geen enkel beplantingsplan van mijn hand een conifeer te constateren.

Totdat ik op De Nieuwe Ooster kwam werken. Van de vele honderden soorten in dit gedenkpark zijn er vooral veel conifeer. Een plantengroep die je toch voor geen goud zou willen missen in zo’n oud park. Vooral ook door ouderdom wordt deze groep interessant: hoe ouder hoe mooier. Prachtige, uitgegroeide exemplaren van 10 meter of hoger. Een geweldige Libanonceder in het mausoleumgebied. Het spookachtige coniferenlaantje, waar je regelmatig uilen ziet. De fraaie Ginkgo’s op voorterrein en elders in het park, waarvan het blad zelfs het logo van De Nieuwe Ooster is geworden. De vele groepen met karakteristieke dennen. Voor mij is het wel duidelijk. Ik ben om. Geen park zonder coniferen!

Wim van Midwoud

Sporen

Bomen en begraafplaatsen smeden een bijzondere band, waar ook ter wereld. Begraafplaatsen zonder bomen zijn sfeerloos, en bomen kunnen nergens zo oud, bijzonder en eigen worden als op een begraafplaats. Allebei laten ze een spoor na dat ons iets zegt over vergankelijkheid en de eeuwige cirkel van leven en dood. Toen de Haagse schrijver Louis Couperus in 1922 een reis maakte door China en Japan was hij verrukt van een Camellia Japonica die hij op een kerkhof zag. ‘In een Boeddhistisch kerkhof, waar de graven dicht op elkander stonden, zagen wij een immensen camellia-boom, een heiligen boom, eeuwen oud, reuzig zwaar van stam en twijgen en die vol gebloeid was met purperen, rosekleurige en blanke bloemen.’ De beroemde schrijver van Eline Vere en De Stille kracht was helemaal verrukt van de Japanse roos die zo overdadig bloeide op het kerkhof. ‘Het was een wonder van een boom: wààr wij in zijn zwaar gelooverte staarden, bloeide hij, blank, rose, rood.’ Aan de laatste opmerking van Couperus kun je zien dat het er tegenwoordig op begraafplaatsen wel anders aan toe gaat. Het ‘zwaar gelooverte’ is er nog altijd, in de vorm van beuken, eiken, populieren of treurwilgen. Maar op onze tochten langs de vele begraafplaatsen van Amsterdam, kwamen wij schrijvers van het Amsterdamse bomenboek – Eddie Blankers, Nico Hoogland en ik – regelmatig schitterende bloeiende bomen tegen: magnolia’s, sierkersen, -appels en -peren en zelfs buitenissige soorten als de Katsura en de sneeuwklokjesboom. De laatste, een Halesia carolina, draagt in de lente frivole bloemen en staat onder andere in vak 71 van De Nieuwe Ooster. Dat vak is sowieso een van de bijzonderste van dit arboretum – valse Christusdoorn, Judasboom en hemelboom staan gebroederlijk bij elkaar. Alleen al de opeenvolging van deze namen geeft een bomenblik op het lijdensverhaal van het Nieuwe Testament. In het Amsterdamse bomenboek hebben we dan ook veel aandacht aan vak 71 geschonken. Begraafplaatsen zijn dankzij die bomen – bloeiend of niet – altijd meer geweest dan plekken om te herdenken en te rouwen. Het zijn ook plaatsen waar het leven gevoeld en gevierd kan worden – het leven dat doorgaat, dat nieuw leven oplevert. Dat zag Couperus ook, 85 jaar geleden, toen hij op het Boeddhistisch kerkhof in Japan rondwandelde. ‘Zulk een boom wordt met steenen lantaarns omringd en in die groote monumentale lantaarns worden op feestnachten lichten geplaatst. Maar zulk een roodbloeiende Camellia-boom – er zijn er meerdere in Japan – kan ook vreemde dingen doen, bijvoorbeeld, zich verplaatsen en bloedspoor achterlaten en terug komen zonder een enkele bloem…’ Een spoor, vreemde dingen: we zijn met Couperus weer helemaal terug bij De stille kracht. Maar gelijk heeft hij wel. De combinatie van bomen en mystieke sfeer, geheimen en schoonheid tref je alleen op begraafplaatsen. Dat wist Couperus toen al, en dat weet ik sinds het schrijven van het Amsterdamse bomenboek nu ook maar al te goed.

Louis Stiller

Wat de beuk voorbij zag gaan:
een voordracht van Jos van Hest bij het 115-jarig bestaan van De Nieuwe Ooster 20 mei 2009

Hij is nooit verder geweest dan vak 1. Deze roodbruine beuk, Fagus sylvatica Atropunicea. Hij is voor deze plek bedacht door Leonard Springer, de architect die begraafplaats De Nieuwe Ooster in 1890 ontwierp. Springer wilde een begraafplaats maken als, zoals hij zelf zegt, een lieflijk, schilderachtig en poëtisch oord waar men gaarne verblijft, geen sombere en droefgeestige plek waarvoor men huivert erheen te gaan, maar een harmonisch park met slingerende paden en bomen die hun rijk bebladerde takken over de graven uitstrekken om ze te beschermen. Hij zal waarschijnlijk in 1892 geplant zijn, twee jaar voor de officiële opening van De Nieuwe Ooster op 1 mei 1894. Zijn wortels omvatten het graf van Gerlof Bartholomeus Salm, gestorven op 4 mei 1897, de architect die het Aquarium van Artis bouwde en het kerkgebouw van de Vrije Gemeente aan de Weteringschans, nu beter bekend als Paradiso.

Hij is eenhuizig, de beuk: er bloeien zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen aan zijn takken. Bezoekers schuilen onder hem voor de regen. Hij is een roodbruine paraplu, een purperen parasol. Zijn takken raken soms de hoeden van de dragers. Kinderen rapen in de herfst zijn beukennootjes op. Miljoenen nootjes heeft hij in al die jaren laten vallen, voedsel voor eekhoorns en vogels, ook eetbaar voor mensen, mits in niet te grote hoeveelheden. (In beukennootjes zit fagine, een zwak giftige stof. Wie veel beukennootjes eet, wordt eerst buitengewoon vrolijk, daarna misselijk en krijgt hoofdpijn.)

Hij is erkend als landelijk monument. Dat staat beschreven op officieel papier: stempel erop, handtekening eronder, opgeborgen in een map, in een archief En hoe groot, sterk en oud hij ook is, hij kent zijn angsten. Hij is ook maar een schepsel dat weet van het bestaan van beukenbladluis en beukenspringkever, van wollige beukenluis en galmijt. Hij weet dat hij aangetast kan worden door de gevaarlijke meniezwam, dat hij bastkanker kan krijgen, roetdauw en necrotische vlekken.

Wat de beuk voorbij zag gaan:

Rouwkoetsen met paarden met zwarte pluimen zwijgende stoeten met zware grafkransen

Heren in jacquet, dames achter zwarte sluiers doodbidders met hoge hoeden

Kisten op schouders van dragers kisten op een baar met wieltjes

Bloemstukken met linten militaire eer en laatste groet

Schoolkinderen met een dode juf in een kist moeders met een baby in een rieten mandje

Harten van rozen, bloesem van verdriet ballonnen, fakkels, flarden van een lied

Nabestaanden, achterblijvers zoveel voetstappen op kiezels

Wat de beuk voorbij zag gaan:

Het licht en het donker, de dag en de nacht de zon en de maan, vallende sterren

De vier seizoenen, de twaalf maanden oorlog en vrede, regenluchten, zomerwinden

Het leed van een eeuw, honderd jaar tranen de troost van de tijd

Zon overgoot hem met duizenden lichtstrepen regen viel op hem neer met duizenden snikken

Wolken aaiden hem voor ze weer wegvluchtten wolken bedreigden hem en gaven geen soelaas

Zijn knoppen zijn als namen ze springen open in het zonlicht

Zijn bladeren zijn als namen ze verwaaien in de wind

Hij staat stevig als een huis hij waakt over doden en levenden

Winden ruisen door zijn kruin stemmen huizen in zijn takken

Beuk rode bron van zuurstof zijn lover zingt over, over

De laatste rustplaats van een wereldreiziger. Of hoe een Giant Sequoia op De Nieuwe Ooster terecht kwam.

De natuur in Californië hoort zeker in het rijtje mooiste en overweldigendste in de wereld. Maar de oprukkende verstedelijking en vooral de al decennia durende kap door de houtindustrie hadden er bijna voor gezorgd dat een van haar bekenste ambassadeurs, de Giant Sequoia ofwel de grootste en oudst wordende boom ter wereld, voorgoed was verdwenen uit het Californische landschap. Gelukkig hebben activisten dit voorlopig weten te voorkomen. Door middel van fel verzet met spectaculaire acties (zo bracht een activiste eens 738 dagen door in een 55 meter hoge, 600 jaar oude boom), maar ook educatie en bewustwordingscampagnes. Onderdeel van een van die campagnes was het uitdelen van gratis stekjes. En zo kreeg ik, een rondreizende Amsterdammer, tijdens de paasvakantie in 2002 een piepklein exemplaar van deze Sequoiadendron giganteum kado. Met wat hulp van een tuinierende vriendin bij wie ik daar logeerde heeft het stekje de rest van de reis weten te overleven, terug naar de Oudezijds Achterburgwal. Hij hing er wel wat slapjes bij in zijn op straat gevonden pot, twee hoog achter op het platje. Gelukkig zat er bij het stekje een telefoonnummer voor een gratis bomenhulplijn in de VS. Na het stekje op hun advies te hebben gestut met een breinaald kwam het boompje, hoewel voor altijd een tikkeltje scheef, er weer goed bovenop. Het ging zelfs zo goed met het boompje dat me ik me al na een paar jaar zorgen begon te maken over het tempo waarin hij de lucht in schoot. Bij een volgend bezoek aan San Francisco kwam ik in Muir-woods, het nationale park met de laatste populatie Coastal Redwoods (Sequioa sempervirens) in de buurt van San Fransisco. Daar legde ik de kwestie voor aan de Sequoia expert van de Universiteit van Santa Cruz. Volgens deze expert zou de boom langzamer groeien als ik hem in de schaduw zou zetten. De afgelopen twee jaar stond hij daarom bij een muur, misschien is dat waarom hij er nu op z’n 3D plek op De Nieuwe Ooster nog een beetje schever uitziet. Maar dit kon blijkbaar niet voorkomen dat hij toch in een straf tempo door bleef groeien. Het feit dat ik regelmatig de bruine takjes eruit knipte, een paar keer per jaar speciaal coniferen-voer toevoegde en gezorgd heb dat hij altijd vochtige grond had kan daar, moet gezegd worden, natuurlijk ook aan bij hebben gedragen. Toen kwam het moment dat ik, en dus ook de Sequoia, moest verhuizen. En dan blijkt dat kleine stekje van een paar jaar geleden inmiddels een aardig boompje te zijn geworden dat nog maar nauwelijks via het keukenraam van het platje naar binnen te krijgen is. Het hele raam moest eruit, ik begon me meer en meer te voelen als zo’n toerist die een schattig baby-aapje mee smokkelt uit Marokko en een paar jaar later met een volwassen berberaap in haar flatje zit. Hij kon nog wel even op mijn balkon vier hoog in de Dapperbuurt blijven maar het was duidelijk dat ik snel een goed tehuis voor de boom zou moeten vinden. Binnenkort zou ik hem niet zonder meer kunnen vervoeren of verplaatsen, meer dan de balkondeur eruit gaat toch moeilijk worden in een huurhuis. Inmiddels had ik van TV geleerd dat Giant Sequoias naast de grootste levende wezens op aarde ook de snelst groeiende bomen zijn. O jee. Hoe meer ik over ze leerde hoe korter mijn lijstje met opties werd. In de tuin zetten bij bevriende begane grond bewoners bleek niet echt een optie. Giant Sequoias kunnen immers verschrikkelijk oud worden en wat als die mensen zouden verhuizen (de gemiddelde woonduur in Amsterdam is zeven jaar) en de nieuwe bewoners hem om zouden hakken? Bovendien wou ik eigenlijk wel een omgangsregeling. En zo’n reus is natuurlijk ook niet echt een geschikte boom om in je binnentuin te hebben. Voor je het weet doen de buren je een proces aan je broek omdat je al hun zon afpakt. Naar vrienden in Frankrijk dan? Maar daar is het klimaat te droog en bovendien kan ik het regelmatig bij de boom op bezoek gaan dan wel vergeten. Ik heb zelfs nog even overwogen om hem aan het hek van de Hortus te binden met een briefje met “zorg alstublieft goed voor deze boom” erbij. Maar de Hortus heeft al een exemplaar, 30 jaar oud nog maar en nu al enorm. En ze zitten al zo krap in hun ruimte. Gelukkig ging ik op een dag naar een rondleiding op De Nieuwe Ooster en viel alles op zijn plek. Als mijn boom asiel zou kunnen krijgen op de begraafplaats zou dat natuurlijk ideaal zijn. De boom zou daar veilig zijn, ik zou altijd op bezoek kunnen komen zonder te storen en wat is een mooier symbool voor de eeuwigheid dan een altijd groene boom die duizenden jaren oud kan worden? Ik ben dan ook zeer dankbaar dat De Nieuwe Ooster hem wou opnemen en een heel mooi plekje voor hem had. Wat me tot slot bij mijn laatste verzoek brengt: als er een bordje op kan dan graag de vermelding “Simon Pearse”. Dan heb ik toch nog een mooie en bereikbare herdenkingsplek voor mijn vriend Simon die ver weg in York (noord Engeland) begraven ligt. Hij is drie jaar geleden omgekomen en ik mis hem nog elke dag.

Dafna (met dank aan Jop)

Viforpark

Op het prikbord stond dat we om halfnegen verwacht werden bij de ingang van het Viforpark, met potlood en schrift. Iedereen die al wat langer in Boskoop woonde wist zo langzamerhand wel waar dat was. Op de fiets vanuit de studentenflat waren we er binnen tien minuten. Het was maart, maar het vroor nog behoorlijk. Bovendien had het die nacht nog gesneeuwd.

Onze eerste buitenles plantenkennis kon beginnen. Meneer Beijer legde kort uit wat de bedoeling was en begon meteen met de eerste boom; de Latijnse en de Nederlandse naam, de typische kenmerken. Standplaatsbehoeften en zo verder. Ik had mijn handschoenen nog aan na het fietsen. Mijn handschrift was zo schrijvend, bijna onleesbaar merkte ik. Dus toch maar uitdoen die wanten. Inmiddels liep meneer Beijer met beide handen in z’n zakken alweer naar de vierde struik. Mijn balpen begon te haperen. Stukjes tekst vielen weg. Door goed te krassen ontstond er een soort braille, dat nog net leesbaar was. “Volgende keer een potlood mee, he?!” Meneer Beijer had een door weer en wind getaande kop. We begrepen nu waarom. Bij de tiende boom waren m’n vingers zo koud geworden, dat ik zelfs de namen meer kon krassen in het schrift. Na twee lesuren kou lijden stopte de les, zo’n veertig bomen en struiken verder. “Ik raad jullie aan de notities zo snel mogelijk uit te werken en daarna opnieuw deze route te lopen”, zie meneer Beijer met een knipoog: “Tot volgende week maar weer.” Sindsdien waren bij de Boskoopse middenstand alle vingertoploze handschoenen uitverkocht.

Gelukkig brak na de eerste lessen al snel het voorjaar aan. Luisteren en snel schrijven ging steeds beter. Zelfs het uitwerken was niet meer nodig. Iedere les werd de plantenlijst aangevuld met zo’n veertig bomen en struiken. Heel het Viforpark, het parkje tegenover station Boskoop en de toegangswegen werden dor ons bezocht. De talrijke Boskoopse kwekers hadden het voor elkaar gekregen om vanuit hun collectie meer dan vijfhonderd nakomelingen weg te planten in dit gebied. Paniek maakte van ons meester. Hoe konden we dit ooit allemaal leren?! Vele mooie voorjaarsavonden liepen we daar rond om de stof eigen te maken. “De Gaiten zijn weer bezig; altijd een gezellige drukte in de Boskoopse parken.” Door de Boskopers werden we geiten genoemd omdat we overal blaadjes afhaalden. Uiteindelijk viel het toch nog best mee. Je leerde de planten vrij gemakkelijk in de volgorde zoals meneer Beijer de route had gelopen. Nog steeds weet ik dat na de Lonicera tatarica de Weigela floribunda kwam en daarna het perkje met de Deutzia gracilis. Dan de hoek om op het gras een Hamamelis mollis. Uiteindelijk kon je de stof leren zonder ook maar naar de plant te kijken.

Maar o wee, op de dag des oordeels bleek dit toch niet de juiste methode te zijn. Iedere week liep meneer Beijer met zo’n twintig studenten de parken door. Als hij in de gaten kreeg dat je een ‘routestamper’ was, dan kon hij altijd wel ergens een onooglijk struikje vinden, dat je even had gemist. Dan kwam het er op aan: kon je de plant herkennen of wist je alleen dat in Boskoop in het Viforpark je de naam van de plant wist tussen de Lonicera en de Deutzia. Mijn achternaam begint met een M, dus was ik pas in de derde week aan de beurt. Meneer Beijer was wat de becijferinh betreft een pragmatisch man. Als je het standaard assortiment goed beheerste dan had je in ieder geval een zeven. Betrapte hij je op betweterigheid, dan vond hij altijd wel een zaailing tussen de tegels of een stekje langs de slootkant, waar je dan al of niet uitkwam. Hoger dan een acht was onmogelijk. Ik kon een zeven-en-een-half bijschrijven.

Wim van Midwoud

Berk

Vorige week zondag was ik met mijn dochter van zeven in het Amstelpark. Om een uur of half drie hadden we alles achter de rug: de fietstocht, de speeltoestellen en het treintje, de rugzak was leeggegeten, het drinken op. Tijd voor het betere nietsdoen. We lagen op de steiger, voelden de zon en keken omhoog door de kale bomen naar de strakblauwe lucht. Af en toe een vogel, af en toe de strepen van een vliegtuig.

Bomen zijn het decor voor de grote en kleine momenten van het leven. Naast het graf van mijn moeder op de nabije begraafplaats stond een boom die me na zes keer vier seizoenen leerde dat alles komt en gaat en dat dat goed is. Die boom was daar, terwijl ik zocht naar antwoord op mijn vragen. Iedere morgen als de zon opkwam stak ze haar takken uit naar de hemel. Iedere avond wachtte ze tot het nacht werd en weer ochtend. Wortels stevig in de grond. In weer en wind, gewoon een boom. Toen ik had geleerd wat ik moest leren zag ik de schoonheid van de boom. Haar zilverwitte, glanzende bast. De ‘ogen’ in het zilver. De kleur van de blaadjes. Het geruis. Over dat ruisen schreef Thera Coppens een gedicht:

Nu het regent
druppelen de bomen
over de ruit.

Ik zet mijn walkman af
en luister lang
naar dit geluid:

stemmen zijn het
en duizend handjes
die applaudisseren.

Ruisen is het
en satijnen rokken
van een bruid.

Ik luister
de regenwolken drijven over
iemand in de hoge hemel
zet het ruisen
uit.

Vorige week zondag lag ik met mijn dochter onder een boom. Mijn mobieltje vertelde me dat grote, lieve, eigenwijze S. dood was. Het park was niet mooi meer, de boom een kale boom. De kinderen schreeuwden schel. De les was ik vergeten. Straks weet ik het weer. Het kind van S. moet alles nog leren. Ik hoop dat de bomen zullen helpen.

Nicola Prins